ECLI:NL:RVS:2025:2075
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- N. Verheij
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verblijfsvergunning asiel bij vrijwillig vertrek uit UNRWA-werkgebied en toepasselijkheid artikel 1(D) Vluchtelingenverdrag
Betrokkene, een staatloze Palestijnse vrouw afkomstig uit de Westelijke Jordaanoever en geregistreerd bij de UNRWA, vroeg om een verblijfsvergunning asiel. De minister wees haar aanvraag af op grond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag, omdat zij vrijwillig het UNRWA-werkgebied had verlaten terwijl de bescherming van de UNRWA nog niet was opgehouden. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat de minister opnieuw moest beslissen met inachtneming van een geactualiseerde beoordeling.
De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat alleen het tijdstip van vertrek uit het UNRWA-gebied bepalend is voor de uitsluiting van het Vluchtelingenverdrag. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp dit standpunt en volgde de rechtspraak van het Hof van Justitie, waarin is bepaald dat ook de situatie op het moment van de beslissing op de asielaanvraag en het beroep relevant is. De minister moet beoordelen of de UNRWA op die momenten nog in staat is bescherming te bieden.
De Afdeling oordeelde dat de minister een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek beging door niet de actuele situatie mee te wegen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister moet het besluit heroverwegen met inachtneming van alle relevante elementen, waaronder de kwetsbaarheid van betrokkene en de actuele situatie in het UNRWA-werkgebied. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.