202303673/1/R2.
Datum uitspraak: 12 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
I. [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C], [appellant sub 1D] en [appellant sub 1E], allen wonend in Escharen, gemeente Land van Cuijk (hierna: [appellant sub 1] en anderen),
II. [appellante sub 2], gevestigd in Escharen, gemeente Land van Cuijk,
appellanten,
tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak van de rechtbank OostBrabant van 20 mei 2022 respectievelijk 11 mei 2023 in zaak nr. 21/1500 in het geding tussen:
[appellant sub 1] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk.
Procesverloop
Bij besluit van 14 augustus 2020 heeft het college aan [appellante sub 2] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een luchtkanaal met luchtwasser bij een bestaande varkensstal op het perceel aan de [locatie] in Escharen.
Bij besluit van 11 mei 2021 heeft het college het door [appellant sub 1C], [appellant sub 1D] en [appellant sub 1E] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen beroep ingesteld.
Bij tussenuitspraak van 20 mei 2022 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om het in de uitspraak geconstateerde gebrek aan het besluit van 11 mei 2021 te herstellen.
Bij besluit van 4 juli 2022 heeft het college het besluit van 11 mei 2021 ingetrokken, de tegen het besluit van 14 augustus 2020 gemaakte bezwaren gegrond verklaard en dit besluit, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.
Bij einduitspraak van 11 mei 2023 heeft de rechtbank het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van 11 mei 2021 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van 4 juli 2022 ongegrond verklaard.
[appellant sub 1] en anderen hebben tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante sub 2] heeft tegen de tussenuitspraak incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het college en [appellant sub 1] en anderen hebben gereageerd op het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2].
[appellant sub 1] en anderen hebben een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn gedaan.
De Afdeling heeft naast [appellant sub 1] en anderen, [appellante sub 2] en het college, de Staat der Nederlanden (namens deze: de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 1 september 2025, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1C] en mr. V. Wösten, rechtsbijstandsverlener in Den Haag, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. W.P.N. Remie, advocaat in Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.A.A. Lucas-Jasperse, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend op 23 juni 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het wettelijk kader is opgenomen als bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
3. [appellante sub 2] voert een varkenshouderij aan de [locatie] in Escharen. De varkenshouderij bestaat uit een boerderij met twee stallen, aangeduid als stal 1 en stal 3. Op 23 juni 2020 heeft [appellante sub 2] een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een luchtwasser en luchtkanaal bij stal 1. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2018". Bij besluit van 14 augustus 2020 heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1º, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 5.3.1, onder c, van de planregels, de gevraagde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo verleend.
De tussenuitspraak
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het college ten onrechte de bezwaren van de andere bezwaarmakers dan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de luchtwasser en het luchtkanaal niet afwijken van de verleende revisievergunning uit 2013 en er in zoverre geen sprake is van een niet vergunde wijziging van de inrichting. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat er, anders dan het college meent, een stalderingsbewijs nodig is, omdat de oppervlakte van het dierenverblijf in strijd met artikel 2.74 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: de IOV) wordt vergroot. De luchtwasser en het luchtkanaal kunnen naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als inpandige voorziening bij de bestaande stal. Het college is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om het definitieve stalderingsbewijs, waarover [appellante sub 2] inmiddels beschikte, te beoordelen en te bezien of hiermee wel een omgevingsvergunning kan worden verleend.
De einduitspraak
5. In de einduitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het geconstateerde gebrek in het besluit van 14 augustus 2020 met het besluit van 4 juli 2022 heeft hersteld. Het college mocht het aanvullende stalderingsbewijs van 25 mei 2021 ten grondslag leggen aan het besluit van 4 juli 2022. Het college hoefde naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel te hebben over het inwerking zijn van de saneringslocatie en over de sloop van de stallen. Daarnaast liggen de saneringslocatie en het bedrijf van [appellante sub 2] in hetzelfde stalderingsgebied, waarmee wordt voldaan aan de eis in artikel 2.74, tweede lid, van de IOV.
Het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen
Grondslag aanvraag
6. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het college mocht uitgaan van de aanvraag zoals door [appellante sub 2] is ingediend. Zij verwijzen naar de uitspraak van de rechtbank van dezelfde datum in zaak nr. 21/1501, waarin is geoordeeld dat het college ten onrechte heeft afgezien van handhaving inzake stal 3. Het had op de weg van het college gelegen om [appellante sub 2] aan te sporen een aanvraag in te dienen om die overtreding te legaliseren. Omdat het college dit heeft nagelaten, is volgens [appellant sub 1] en anderen sprake van strijd met de goede proceseconomie.
6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2665, is in het stelsel van de Wabo geen plaats voor een beslissing omtrent een omgevingsvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. Uitgangspunt van de Wabo is dat het de aanvrager is die bepaalt voor welke activiteiten hij een aanvraag indient en dus wat de omvang van het project en daarmee ook het geschil is. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:577. 6.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college niet buiten de grondslag van de aanvraag mag treden. Het is namelijk aan de aanvrager van een omgevingsvergunning om te bepalen voor welke activiteiten hij een vergunning wenst te krijgen. Nu enkel voor de luchtwasser en het luchtkanaal bij stal 1 een omgevingsvergunning is aangevraagd, is dat de omvang van de activiteit en dient het college daarvan uit te gaan.
Het betoog slaagt niet.
Artikel 2.72 van de IOV
7. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank in de einduitspraak ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de vraag of het bouwplan in strijd is met artikel 2.72 van de IOV. Volgens [appellant sub 1] en anderen is stal 3 niet conform de daarvoor verleende omgevingsvergunning gebouwd, zodat het bouwplan leidt tot een toename van het bouwoppervlak, hetgeen in strijd is met artikel 2.72 van de IOV.
7.1. Anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen, heeft de rechtbank wel een oordeel gegeven over de vraag of het bouwplan in strijd is met artikel 2.72 van de IOV. De rechtbank heeft dit gedaan in de tussenuitspraak. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat door de bouw van de luchtwasser en het luchtkanaal de bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken die op de peildatum als bedoeld in artikel 2.72, tweede lid, van de IOV aanwezig was, per saldo niet toeneemt, nu de bouw wordt gecompenseerd met de sloop van een deel van de boerderij, namelijk het oude achterhuis. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 2.72 van de IOV.
Het betoog slaagt niet.
Heroverweging in bezwaar
8. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college het besluit van 14 augustus 2020 in het besluit van 4 juli 2022 had moeten herroepen, nu ten tijde van het besluit van 14 augustus 2020 niet was voldaan aan de stalderingsvereisten.
8.1. Deze grond is zo goed als een herhaling van wat [appellant sub 1] en anderen daarover in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellant sub 1] en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de einduitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.2 opgenomen overwegingen van de einduitspraak, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Incidenteel hoger beroep [appellante sub 2]
9. Het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2] ziet op de vraag of een stalderingsbewijs is vereist. Nu deze vraag vooraf gaat aan de gronden van [appellant sub 1] en anderen die zien op de validiteit van het stalderingsbewijs, behandelt de Afdeling in overweging 10 eerst het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2] alvorens zij in gaat op de overige gronden van het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen.
Stalderingsbewijs nodig?
10. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat voor het verlenen van de omgevingsvergunning een stalderingsbewijs nodig is. Hij voert daartoe aan dat de luchtwasser niet is te beschouwen als een uitbreiding van het hokdierenverblijf. Het betreft namelijk een aangebouwde voorziening die niet toegankelijk is vanuit het hokdierenverblijf. De oppervlakte van het hokdierenverblijf neemt dus niet toe. Verder voert [appellante sub 2] aan dat, nu de luchtwasser geen inpandige voorziening betreft, de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:881) niet van toepassing is. Op grond van deze uitspraak is het mogelijk om bepaalde functies buiten een stal te plaatsen zonder dat de stalderingsregeling van toepassing is, hetgeen hier volgens [appellante sub 2] is gebeurd. 10.1. Op grond van artikel 2.74, vierde lid, van de IOV maken inpandige voorzieningen deel uit van een hokdierenverblijf. Van belang is dus of de luchtwasser en het luchtkanaal kunnen worden aangemerkt als inpandige voorziening. Wanneer sprake is van een inpandige voorziening is ook sprake van een vergroting van de oppervlakte van het hokdierenverblijf, hetgeen op grond van artikel 2.74, tweede lid, van de IOV zonder stalderingsbewijs niet is toegestaan.
10.2. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020. Daarin ging het om de uitleg van een andere verordening en om de uitleg van een andere definitie van het begrip dierenverblijf. Bovendien is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, het begrip dierenverblijf in artikel 2.74 van de IOV na deze uitspraak gewijzigd. In zoverre komt aan deze uitspraak dus geen betekenis meer toe. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het luchtkanaal en de luchtwasser niet zijn te beschouwen als een zelfstandig gebouw. Hoewel de luchtwasser en het luchtkanaal niet toegankelijk zijn vanuit het hokdierenverblijf, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat ze moeten worden aangemerkt als onderdeel van het hokdierenverblijf. Ze zijn namelijk geplaatst tegen de stal en staan middels ventilatieopeningen in verbinding met de stal. De luchtwasser en het luchtkanaal kunnen daarnaast zonder de stal niet functioneren en staan verder ten dienste aan het hokdierenverblijf. Gelet op deze constructie moeten de luchtwasser en het luchtkanaal naar het oordeel van de Afdeling dan ook als inpandige voorziening worden beschouwd. Nu de luchtwasser en het luchtkanaal onderdeel uitmaken van het hokdierenverblijf, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de oppervlakte van het hokdierenverblijf wordt vergroot. Dit is in strijd met artikel 2.74, vierde lid, van de IOV en voor de bouw van de luchtwasser en het luchtkanaal is dus een stalderingsbewijs vereist.
Het betoog slaagt niet.
Validiteit stalderingsbewijs
11. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om de validiteit van het stalderingsbewijs, als bedoeld in artikel 2.74, tweede lid, van de IOV, te kunnen vaststellen.
11.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college het stalderingsbewijs ten grondslag heeft kunnen leggen aan het besluit van 4 juli 2022. Aan het stalderingsbewijs liggen de gecombineerde opgaven 2014, 2015 en 2016, een brief van de (voormalige) gemeente Sint Anthonis voor de acceptatie van een sloopmelding, facturen in verband met de sloop van varkensstallen, de inrichtingstekening en een verklaring van de sloper ten grondslag. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college op basis van deze stukken geen twijfel hoefde te hebben dat de saneringslocatie legaal en in werking was, dat sprake is van sloop van de stallen en dat het bedrijf van [appellante sub 2] en de saneringslocatie in hetzelfde stalderingsgebied liggen. Naar aanleiding van de vrees van [appellant sub 1] en anderen voor dubbel stalderen heeft het college een stuk van de Provincie Noord-Brabant overgelegd waaruit blijkt hoe wordt voorkomen dat stalderingsmeters dubbel kunnen worden ingezet. De Afdeling ziet geen redenen om hieraan te twijfelen. Op de zitting hebben [appellant sub 1] en anderen aangegeven dat de genoemde dierenaantallen in de gecombineerde opgaven niet corresponderen met de overgelegde staltekeningen. Door [appellante sub 2] is toegelicht hoe deze verschillen verklaard zouden kunnen worden. Wat hier verder van zij, voor de vraag of voldaan wordt aan artikel 2.74, tweede lid, van de IOV, zijn de precieze dierenaantallen niet relevant. Daarvoor is bepalend om hoeveel vierkante meters oppervlakte het gaat, mits deze als dierenverblijf in gebruik zijn.
Gelet op het voorgaande komt de Afdeling met de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van strijd met artikel 2.74, tweede lid, van de IOV.
Het betoog slaagt niet.
Kosten bezwaarfase
12. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de kosten in de bezwaarfase. Nu een herstelbesluit is genomen en geconstateerde gebreken zijn hersteld, dient het college volgens [appellant sub 1] en anderen ook veroordeeld te worden tot vergoeding van de kosten in de bezwaarfase.
13. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om het college te veroordelen tot vergoeding van de kosten in de bewaarfase. Nu het college in het herstelbesluit alsnog het stalderingsbewijs heeft beoordeeld en het primaire besluit, namelijk de positieve beslissing op de aanvraag voor een omgevingsvergunning, onder aanvulling van de motivering in stand heeft gelaten, is geen sprake van een herroeping van het primaire besluit wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
14. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.
15. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Verzoek schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
16. Op de zitting hebben [appellant sub 1]en anderen verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
16.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, is De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. 16.2. [appellant sub 1] en anderen hebben op 23 september 2020 een bezwaarschrift ingediend bij het college. Het college heeft vervolgens op 11 mei 2021 op dat bezwaar beslist. De rechtbank heeft het daartegen door [appellant sub 1] en anderen ingestelde beroep op 23 juni 2021 ontvangen. De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 20 mei 2022 het college opgedragen de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken te herstellen. Vervolgens heeft het college op 4 juli 2022 een herstelbesluit genomen, waarna de rechtbank op 11 mei 2023 einduitspraak heeft gedaan. Op 12 juni 2023 hebben [appellant sub 1] en anderen bij de Afdeling hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft op 12 november 2025 op het hoger beroep beslist.
16.3. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot aan deze uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025 zijn in totaal 5 jaar, en twee maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn van vier jaar met één jaar en 2 maanden, dus in totaal 14 maanden, is overschreden.
16.4. In zaken waarin een tussenuitspraak is gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan. Een uitzondering hierop is als in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden.
De rechtbank heeft de redelijke behandelingsduur niet overschreden, omdat de tussenuitspraak binnen een termijn van anderhalf jaar na het instellen van het beroep-, en de einduitspraak binnen een jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld, is gedaan. De behandeling van het hoger beroep heeft uiteindelijk twee jaar en vijf maanden geduurd, waardoor de Afdeling de redelijke behandelingsduur met vijf maanden heeft overschreden.
16.5. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Bij de bepaling van de schadevergoeding geldt als uitgangspunt een tarief van € 500,00 per half jaar waarmee de termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Dat betekent dat [appellant sub 1] en anderen in beginsel ieder recht hebben op een schadevergoeding voor een overschrijding van de termijn van drie maal een half jaar van steeds € 500,00, dus € 1.500,00. De Afdeling ziet evenwel in de omstandigheid dat zij gezamenlijk beroepen hebben ingesteld, aanleiding dit bedrag te matigen in die zin dat zij ieder 25% van het aan de mate van overschrijding van de redelijke termijn gerelateerde schadevergoedingsbedrag krijgen toegekend, zodat zij ieder een bedrag van € 375,00 krijgen toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van gezamenlijk beroepen in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die [appellant sub 1] en anderen hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. Door gezamenlijk beroepen in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:245). 16.6. Het college wordt veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag van € 1.205,36. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag van € 669,64. Het college moet aan [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C], [appellant sub 1D] en [appellant sub 1E] ieder afzonderlijk een bedrag van € 288,46 betalen en de Staat moet aan [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C], [appellant sub 1D] en [appellant sub 1E] ieder afzonderlijk een bedrag van € 86,54 betalen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraken;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (namens deze: de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C], [appellant sub 1D] en [appellant sub 1E] ieder te betalen een schadevergoeding van €133,93;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk om aan [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C], [appellant sub 1D] en [appellant sub 1E] ieder te betalen een schadevergoeding van €241,07.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graaff-Haasnoot
Griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025
531-1167
Bijlage - wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht
1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.
Artikel 7:15, tweede lid, luidt:
De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid, luidt:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
• a. het bouwen van een bouwwerk,
[…]
• c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…]
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 1º, luidt:
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Artikel 2.72 luidt:
Verbod uitbreiding veehouderij
Lid 1
Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.48 Veehouderij in Stedelijk gebied en artikel 3.51 Afwijkende regels Beperkingen veehouderij geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een veehouderij in Stedelijk gebied en Beperkingen Veehouderij dat:
• a.een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten;
• b.een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitgesloten;
• c.binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.
Lid 2
Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de oppervlakte die:
• a.op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of
• b.mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning.
[…]
Artikel 2.74 luidt:
Stalderen
Lid 1
Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.52 Aanvullende regels stalderen geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een hokdierhouderij gevestigd binnen Stalderingsgebied, dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel door de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf voor hokdieren is verboden.
Lid 2
Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging naar dierenverblijf bewijs is overlegd dat:
• a.binnen het stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;
• b.de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt:
o 1.ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;
o 2.ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;
• c.voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling.
[…]
Lid 4
Voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer.
[…]