ECLI:NL:RVS:2025:5765

Raad van State

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
202403676/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring van bezwaar inzake financiële tegemoetkoming door registratie in de Fraude Signalering Voorziening

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 mei 2024, waarin het beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn bezwaar door de minister van Financiën werd afgewezen. De minister had op 29 juli 2023 aan [appellant] medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming vanwege een registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). De rechtbank oordeelde dat de brief van de minister geen besluit was waartegen bezwaar kon worden gemaakt, omdat deze van informatieve aard was en geen rechtsgevolg had. [appellant] betoogde echter dat deze brief wel degelijk een besluit was, verwijzend naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam die een vergelijkbare situatie als een afwijzend schadebesluit had gekwalificeerd.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak behandeld op 22 mei 2025. In haar uitspraak van 26 november 2025 oordeelde de Afdeling dat de brief van 29 juli 2023 wel degelijk een besluit was, omdat het een publiekrechtelijke rechtshandeling betrof die rechtsgevolg had. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister van 20 september 2023. De minister werd opgedragen om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant]. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellant].

Uitspraak

202403676/1/A3.
Datum uitspraak: 26 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 7 mei 2024 in zaak nr. 23/6720 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij brief van 29 juli 2023 heeft de minister [appellant] medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming wegens een registratie in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV).
Bij besluit van 20 september 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 7 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 mei 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. I.A. Huppertz, is verschenen.
Overwegingen
1.       Bij brief van 2 juni 2021 heeft de minister [appellant] op de hoogte gesteld dat zijn persoonsgegevens zijn geregistreerd in de FSV, en medegedeeld dat een onderzoek wordt gedaan naar de gevolgen van die registratie voor hem. Bij brief van 29 juli 2023 heeft de minister [appellant] ingelicht dat uit dat onderzoek is gebleken dat de FSV-registratie voor hem geen gevolgen heeft gehad en dat hij daarom niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming. Tegen de brief van 29 juli 2023 heeft [appellant] bezwaar gemaakt. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief geen besluit is waartegen bezwaar en beroep open staat, en daarom het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van 29 juli 2023 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), waartegen bezwaar kan worden gemaakt. De brief is van informatieve aard en is niet gericht op rechtsgevolg. De minister heeft met die brief geen publiekrechtelijke rechtshandeling verricht. De mededeling van de minister in die brief dat het opslaan van gegevens van [appellant] in de FSV in strijd was met de Algemene verordening gegevensbescherming en niet had mogen plaatsvinden, maakt niet dat er sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dat gegeven volgde immers al uit de brief van 2 juni 2021 en is in de brief van 29 juli 2023 alleen herhaald. De rechtbank heeft verder overwogen dat de mededeling van de minister dat [appellant] niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming niet betekent dat de brief een besluit is, omdat de minister geen publiekrechtelijke grondslag had om die mededeling te doen. Daarom heeft die mededeling geen rechtsgevolg. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] een verzoek om een schadevergoeding heeft ingediend waarop nog niet is beslist.
3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de brief van 29 juli 2023 geen besluit is. [appellant] voert daartoe aan dat de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 16 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3141, heeft geoordeeld dat een vergelijkbare brief, waarin een betrokkene wordt medegedeeld dat hij op grond van het tegemoetkomingsbeleid in het kader van de FSV niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming, een afwijzend schadebesluit is.
4.       Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2730, onder 13 tot en met 16, heeft het tegemoetkomingsbeleid in het kader van de FSV geen grondslag in een wettelijk voorschrift en is het daarom buitenwettelijk begunstigend beleid. Buitenwettelijk begunstigend beleid kan dienen als buitenwettelijke bevoegdheidsgrondslag voor het nemen van besluiten (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700 onder 4.6.2). Een beslissing die op basis van dat tegemoetkomingsbeleid wegens immateriële schade is genomen en beoogt een financiële aanspraak toe te kennen of te onthouden aan personen die in de FSV stonden geregistreerd, is daarom een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4.1.    Dit betekent dat de brief van 29 juli 2023, waarin de minister heeft vastgesteld dat [appellant] niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming, een besluit is. De Afdeling volgt de rechtbank daarom niet.
Het betoogt slaagt.
5.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 20 september 2023 vernietigen wegens schending van artikel 7:1 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 1:3, eerste lid, en artikel 8:1 van deze wet. In dit besluit heeft de minister het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 29 juli 2023 ten onrechte niet‑ontvankelijk verklaard. De Afdeling zal de minister opdragen om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit op dat bezwaar te nemen.
6.       De Afdeling geeft de minister vanuit het oogpunt van een efficiënte geschilbeslechting mee dat, indien de minister in het nieuwe besluit bij het standpunt blijft dat [appellant] niet voldoet aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming, hij dat standpunt deugdelijk moet motiveren. Dat betekent dat uit het besluit moet blijken hoe is vastgesteld dat de registratie van de persoonsgegevens van [appellant] in de FSV voor hem geen gevolgen heeft gehad.
7.       De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
8.       De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 7 mei 2024 in zaak nr. 23/6720;
III.      verklaart het beroep in die zaak gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van de minister van Financiën van 20 september 2023;
V.       draagt de minister van Financiën op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI.      bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII.     veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII.    gelast dat de minister van Financiën aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 463,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. W. den Ouden en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025
620-1114