ECLI:NL:RVS:2025:5809
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J. Schipper-Spanninga
- J. Luijendijk
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring hoger beroep tegen afwijzing verblijfsdocument voor gemeenschapsonderdaan met marginale zorgtaken
Betrokkene, een Iraakse gemeenschapsonderdaan die sinds 1981 in Nederland verblijft en twee Nederlandse dochters heeft, vroeg in 2020 een verblijfsdocument aan op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris wees deze aanvraag af omdat betrokkene volgens het beleid slechts marginale zorgtaken verrichtte en er onvoldoende afhankelijkheid bestond tussen hem en zijn dochters.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit met inachtneming van haar uitspraak. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister terecht had gemotiveerd waarom de zorgtaken als marginale worden aangemerkt en dat de rechtbank ten onrechte het subsidiaire standpunt over psychische problematiek had getoetst.
Verder vond de Afdeling dat de rechtbank onterecht had geoordeeld dat de minister actief onderzoek moest doen naar de afhankelijkheidsverhouding, aangezien het BIC-rapport onvoldoende inzicht gaf en betrokkene niet met concrete gegevens aannemelijk had gemaakt dat een dergelijke afhankelijkheid bestaat.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, maar liet het oordeel van de rechtbank over de strijd met artikel 8 EVRM Pro ongemoeid. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en die van de rechtbank, zonder proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en de minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.