ECLI:NL:RVS:2025:932
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens intrekking besluit machtiging voorlopig verblijf
De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stelde een termijn voor het nemen van het besluit, met een dwangsom bij overschrijding.
Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in. Echter, voordat de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak deed, nam de minister alsnog een besluit op de aanvraag. Hierdoor verviel het belang van het hoger beroep.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het vervallen belang. Wel oordeelde zij dat de minister de proceskosten van de vreemdeling moet vergoeden, omdat hij door het alsnog nemen van het besluit aan de vreemdeling tegemoet is gekomen. De vergoeding werd vastgesteld op € 453,50, met een wegingsfactor van 0,5 vanwege het beperkte belang van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister intussen een besluit heeft genomen, en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.