202300124/1/V1.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 december 2022 in zaak nr. 22/4075 in het geding tussen:
appellant
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Procesverloop
Bij besluit van 31 mei 2022 heeft het COa de hoogte van de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang vastgesteld op € 5.663,33.
Bij uitspraak van 8 december 2022 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Het COa heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
Het COa heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft deze zaak, gelijktijdig met zaken nrs. 202107338/1/V1, 202203259/1/V1 en 202302916/1/V1, op een zitting behandeld op 28 maart 2025. Appellant, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. Jansen, advocaat in Kapelle, en het COa, vertegenwoordigd door mr. J.V. de Kort, advocaat in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het COa biedt opvangvoorzieningen voor asielzoekers en verlangt een eigen bijdrage in de kosten daarvan als zij vermogen en/of inkomen hebben. Zij kunnen bijvoorbeeld vermogen hebben als zij een dwangsom van de IND hebben ontvangen, omdat de asielprocedure te lang heeft geduurd.
1.1. Het COa is op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet COa belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. Met de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) en de Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008 (hierna: de Reba 2008) heeft de regelgever invulling gegeven aan die bepaling. Uit artikel 20 van de Rva 2005 volgt dat, als een asielzoeker beschikt over een vermogen groter dan de vermogensgrens die volgt uit artikel 34 van de Participatiewet, de asielzoeker een vergoeding in de kosten van de opvang in de vorm van een eigen bijdrage aan het COa is verschuldigd en dat het COa deze vergoeding ook naderhand kan terugvorderen, als blijkt dat de asielzoeker tijdens het verblijf in de opvang over vermogen beschikte. In de artikelen 2 en 3 van de Reba 2008 is bepaald wat de economische waarde is van de feitelijk geboden verstrekkingen die het COa gebruikt voor de berekening van de eigen bijdrage. In artikel 7 van de Reba 2008 is bepaald wat wel en niet onder vermogen wordt verstaan. Zo is in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder e, van de Reba 2008 bepaald dat vergoedingen voor immateriële schade niet als vermogen in aanmerking worden genomen.
1.2. Het COa heeft de werkwijze hoe het een eigen bijdrage berekent en vaststelt verder uitgewerkt in een document ‘Beleidskader Werk en Inkomen’ en een document ‘Werkinstructie uitvoeren Reba bij vermogen’. Deze documenten heeft het COa bij de schriftelijke uiteenzetting overgelegd aan de Afdeling.
1.3. Deze uitspraak gaat over de vraag of het COa op grond van de Rva 2005 en de Reba 2008 voor vreemdelingen een eigen bijdrage mag vaststellen in de kosten van opvang wegens het hebben van vermogen boven de vermogensgrens, als deze vreemdelingen alleen over dit vermogen beschikken omdat de IND aan hen een dwangsom heeft betaald. De Afdeling is van oordeel dat het COa deze eigen bijdrage ook dan mag vaststellen en legt dat in deze uitspraak uit.
1.4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het besluit
2. Het COa krijgt op basis van het ‘Convenant ten behoeve van het uitvoeren van art. 20 Rva 2005 en de Reba 2008 door het COa’ van de IND informatie over dwangsommen die de IND heeft uitbetaald aan vreemdelingen. Uit de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:139, onder 5.2 tot en met 5.2.2, volgt dat de IND en het COa deze gegevens mogen verwerken. Aan de hand van deze informatie onderzoekt het COa of een vreemdeling vermogen boven de vermogensgrens heeft. Als dat zo is, maakt het COa een berekening en stelt het daarna bij besluit een bedrag vast dat volgens het COa betaald moet worden als eigen bijdrage in de kosten van de opvang. Het COa past bij deze berekening een zogenoemde interingsnorm toe van 1,5 die doorgaans ook bij bijstandsgerechtigden wordt toegepast. Volgens het COa is de gedachte daarachter dat een vreemdeling zuinig met het verkregen eigen vermogen moet omgaan en niet snel weer op verstrekkingen moet zijn aangewezen. 2.1. Bij het besluit van 31 mei 2022 heeft het COa de hoogte van de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang vastgesteld op € 5.663,33, omdat zij volgens het COa een vermogen groter dan de vermogensgrens heeft nadat de IND € 15.000,00 aan dwangsommen aan haar heeft uitbetaald. Bij het besluit heeft het COa een berekening meegestuurd. Die berekening vermeldt dat op 31 januari 2022 het vermogen van appellant is vastgesteld op € 15.000,00 en het vrijgesteld vermogen op € 6.505,00, zodat een bedrag van € 8.495,00 overblijft. De kosten van de verstrekkingen bedragen in totaal € 475,95 per maand, waarvan € 259,45 aan weekgelden en € 216,50 aan woonlasten. Het bedrag van € 8.495,00 heeft het COa gedeeld door € 713,93 (het totaalbedrag van de verstrekkingen vermenigvuldigd met de factor 1,5 van de interingsnorm). De uitkomst daarvan geeft het aantal maanden waarvoor appellant met inachtneming van de interingsnorm de kosten van de opvang kan dragen, totdat haar eigen vermogen is teruggelopen tot het vrijgestelde bedrag van € 6.505,00, in dit geval afgerond 11,90 maanden. Dat aantal maanden heeft het COa vervolgens vermenigvuldigd met het maandelijkse totaalbedrag van de verstrekkingen van € 475,95. De uitkomst daarvan is € 5.663,33, het bedrag dat appellant volgens het COa aan eigen bijdrage in de kosten van de opvang moet betalen.
Ontvankelijkheid van het beroep
3. Appellant heeft tegen het besluit rechtstreeks beroep ingesteld. Zij heeft daarmee gevolg gegeven aan de rechtsmiddelenclausule onder dat besluit, die vermeldt dat tegen het besluit beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank. In het kader van de door haar ambtshalve uit te voeren beoordelingen, ziet de Afdeling zich geconfronteerd met de vraag of tegen een besluit waarin het COa een eigen bijdrage vaststelt in de kosten van de opvang inderdaad rechtstreeks beroep openstaat en de rechtbank dus terecht dat beroep ontvankelijk heeft verklaard. Om die reden is op de zitting aan partijen de vraag voorgelegd of het vaststellen van een eigen bijdrage gezien moet worden als het onthouden dan wel beëindigen van verstrekkingen in de zin van artikel 5, eerste lid, van de Wet COa. Het COa heeft zich op het standpunt gesteld dat het vaststellen van een eigen bijdrage te maken heeft met het onthouden of beëindigen van verstrekkingen en dat daarom rechtstreeks beroep openstaat.
3.1. Uit artikel 5 van de Wet COa volgt dat de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 van toepassing zijn op besluiten in het kader van het onthouden of beëindigen van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COa. Uit artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang met bijlage 1 ‘Regeling rechtstreeks beroep’, volgt dat tegen besluiten genomen op grond van afdeling 3 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000, rechtstreeks beroep openstaat.
Het COa heeft op de zitting toegelicht dat het de verstrekkingen niet beëindigt wanneer iemand vermogen heeft boven de vermogensgrens, maar in plaats daarvan een eigen bijdrage in de kosten van de opvang verlangt. Het COa heeft de verstrekkingen van appellant dus niet beëindigd, nadat zij vermogen boven de vermogensgrens had verkregen. De Afdeling is daarom van oordeel dat het vaststellen van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang niet gelijk staat aan het, al dan niet gedeeltelijk, onthouden of beëindigen van de verstrekkingen. Dat betekent dat tegen een besluit over de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage in de kosten van de opvang bezwaar openstaat. De rechtbank had daarom het door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren, het beroepschrift moeten aanmerken als een bezwaarschrift en dat op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb, ter behandeling moeten doorsturen naar het COa.
3.2. Dat de procedurele gang van zaken niet in lijn is met artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb, leidt in dit geval niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:302, onder 3.2, heeft overwogen, kan alleen de indiener van het bezwaarschrift het bestuursorgaan verzoeken om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Dat heeft appellant weliswaar niet gedaan, maar partijen zijn tijdens de zitting bij de Afdeling alsnog akkoord gegaan met het overslaan van de bezwaarprocedure. De Afdeling vindt daarbij ook van belang dat appellant zelf niet heeft geklaagd over het feit dat de bezwaarprocedure is overgeslagen. Dat in aanmerking genomen, en gelet op het belang dat appellant heeft bij het verkrijgen van uitsluitsel over de uitkomst van haar procedure, welk belang niet is gediend bij een herstart in de bezwaarfase, zal de Afdeling zich inhoudelijk buigen over het hogerberoepschrift. Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat het COa deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de berekening die volgt uit de Reba 2008 verschilt van die van de Participatiewet, ondanks dat de berekening op hetzelfde rekenmodel is gebaseerd. Volgens de rechtbank is het besluit daarom niet in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Ook is de rechtbank van oordeel dat het COa zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een dwangsom een prikkel tot besluitvorming is en geen immateriële schadevergoeding en dat zij appellant niet volgt in haar betoog dat de uitgekeerde dwangsom buiten beschouwing zou moeten blijven bij het bepalen van haar vermogen.
Hoger beroep
Het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel
5. Appellant richt haar eerste grief tegen het oordeel van de rechtbank dat het COa deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de berekening die volgt uit de Reba 2008 verschilt van die van de Participatiewet, ondanks dat de berekening op hetzelfde rekenmodel is gebaseerd, en dat het besluit niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Appellant betoogt dat voor de aansluiting bij het rekenmodel dat is gebaseerd op de interingsnorm uit de Participatiewet geen wettelijke grondslag bestaat en dat deze berekening in vergelijking voor vreemdelingen onevenredig zwaar is. Zo krijgt een bijstandsgerechtigde, in tegenstelling tot een vreemdeling die opvang geniet, ook huurtoeslag en wordt huurtoeslag pas teruggevorderd bij een aanzienlijk hoger eigen vermogen voor een alleenstaande. Volgens haar is toepassing van deze regels niet evenwichtig. Zij wijst erop dat de IND ruimschoots na de genoemde termijn in artikel 31 van de Procedurerichtlijn van 21 maanden een besluit heeft genomen op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dat zij psychische klachten heeft en al die tijd in de beperkte omgeving van de opvang heeft verbleven. Volgens appellant heeft de rechtbank niet onderkend dat het COa niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe het besluit zich in dit geval verhoudt tot het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
Interingsnorm
5.1. Het betoog van appellant slaagt niet. Uit artikel 17, vierde lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat lidstaten, als verzoekers over voldoende middelen beschikken, een bijdrage mogen verlangen voor het totaal of een deel van de kosten van de door de Opvangrichtlijn geboden materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat lidstaten verzoekers, bij het verstrekken van materiële opvangvoorzieningen in de vorm van uitkeringen, minder gunstig kunnen behandelen dan eigen onderdanen. Dit geldt met name als de materiële steun gedeeltelijk in natura wordt verstrekt of als die niveaus, die gelden voor onderdanen, een hogere levensstandaard beogen dan die welke deze richtlijn voor verzoekers voorschrijft. Hieruit volgt dat vreemdelingen de verstrekkingen die zij op basis van de Rva 2005 krijgen niet een op een kunnen vergelijken met aanspraken die rechthebbenden ontvangen op grond van de Participatiewet. Het brengt dus ook niet mee dat vreemdelingen alleen al daarom een groter deel van hun vermogen zouden mogen behouden.
5.2. In de Opvangrichtlijn is verder niet geregeld hoe de lidstaten gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid, zodat de verdere invulling hiervan aan de lidstaten is. De regelgever heeft deze bevoegdheid geïmplementeerd in artikel 20 van de Rva 2005. Uit de toelichting op artikel 20 van de Rva 2005 (Stb. 2005, 24, p. 16) volgt dat de druk die de kosten van opvang legt op de collectieve middelen rechtvaardigt dat alleen opvang wordt geboden als en voor zover vreemdelingen niet in het eigen bestaan kunnen voorzien. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt ook dat het COa vrij is om zelf invulling te geven aan zijn bevoegdheid om een vergoeding voor de kosten van opvang te vragen aan een vreemdeling die over voldoende middelen beschikt. Niet valt in te zien waarom het COa niet een interingsnorm van 1,5 zou mogen toepassen. Te meer, omdat toepassing van een interingsnorm van 1,5 voor appellant voordeliger uitpakt dan wanneer het COa geen interingsnorm zou toepassen. Appellant hoeft daardoor namelijk niet haar gehele vermogen boven de vermogensgrens af te staan, maar mag een deel van het vermogen houden en aanwenden voor eigen gebruik. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het besluit niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, omdat het COa een interingsnorm gebruikt bij de berekening. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:140, onder 6.2.1 tot en met 6.2.3. Evenwichtigheid
5.3. Appellant heeft verder in haar grief gewezen op een aantal omstandigheden, die volgens haar maken dat het verlangen van een eigen bijdrage in haar geval niet evenwichtig is. De Afdeling beoordeelt of die omstandigheden maken dat de gevolgen van de vaststelling van de eigen bijdrage niet evenwichtig zijn in verhouding tot het doel van het COa om alleen kosteloze opvang te bieden aan vreemdelingen die niet in hun eigen bestaan kunnen voorzien.
5.3.1. De Afdeling vindt dat dit niet het geval is. Daarvoor vindt zij allereerst van belang dat het COa feitelijk kosten heeft gemaakt voor de daadwerkelijke opvang van appellant en het uitgangspunt is dat het COa alleen geen eigen bijdrage verlangt indien vreemdelingen niet beschikken over voldoende middelen om zelf in de noodzakelijke kosten van hun bestaan te voorzien. Het uitgangspunt is dus dat het COa voor deze gemaakte kosten een eigen bijdrage vaststelt bij een vermogen boven de vermogensgrens. Het hanteren van die vermogensgrens maakt dat appellant een aanzienlijk deel van de ontvangen dwangsom kan aanwenden voor eigen gebruik, zonder enige verplichting richting het COa. Het hanteren van de interingsnorm over het vermogen boven de vermogensgrens geeft appellant daartoe nog meer ruimte. Appellant kan de ontvangen dwangsom dus al deels naar eigen inzicht aanwenden voor andere uitgaven.
De omstandigheid dat de IND ruimschoots na de genoemde termijn in artikel 31 van de Procedurerichtlijn van 21 maanden een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van appellant en zij door die langdurige besluitvorming vermogen heeft verkregen als gevolg van een uitbetaalde dwangsom, maakt niet dat het verlangen van een eigen bijdrage op grond van dat vermogen niet evenwichtig is. Van belang is dat appellant vermogen als bedoeld in artikel 7 van de Reba 2008 had, niet van wie of waarom zij dat heeft verkregen. Dat de IND net als het COa betrokken is bij de vreemdelingenketen, betekent niet dat een fout van de IND eerder in deze keten, zoals hier het niet tijdig nemen van een besluit, later in die keten meebrengt dat het daardoor verkregen vermogen niet vatbaar is voor het in rekening brengen van een eigen bijdrage in de kosten die het COa voor opvang maakt en daarom het verlangen van een eigen bijdrage niet evenwichtig is.
De omstandigheden dat appellant al die tijd in de opvang heeft verbleven en de door haar gestelde psychische klachten maken ook niet dat het besluit niet evenwichtig is. Hoewel de Afdeling begrijpt dat het lange verblijf in de opvang, waarbij, zoals zij tijdens de zitting heeft toegelicht, zij zich onveilig heeft gevoeld, veel van haar heeft gevergd, maakt dat nog niet dat het COa van appellant geen eigen bijdrage in de kosten van de opvang mag verlangen. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat zij psychische klachten heeft door, zoals appellant tijdens de zitting heeft toegelicht, wat zij heeft meegemaakt in haar land van herkomst en de in het rapport van VluchtelingenWerk Nederland aangehaalde slechte opvangomstandigheden. Deze omstandigheden zijn geen gevolgen van het besluit tot vaststelling van de eigen bijdrage in de kosten van de opvang.
Het voorgaande in aanmerking genomen en de aangevoerde omstandigheden ook in samenhang bezien, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het besluit niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
De grief slaagt niet.
Immateriële schadevergoeding
6. Appellant richt grieven twee en drie tegen het oordeel van de rechtbank dat een dwangsom een prikkel tot besluitvorming is en geen immateriële schadevergoeding. Appellant betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3027, onder 3, dat een dwangsom óók een financiële compensatie is. Ook betoogt zij dat uitbetaalde dwangsommen niet onder het vermogen moeten vallen bij de berekening van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang, omdat anders te zeer afbreuk wordt gedaan aan de financiële prikkel die van de dwangsom uitgaat. Volgens haar valt zowel de IND als het COa immers onder het Ministerie van Justitie en Veiligheid en vloeit door de eigen bijdrage in de kosten van de opvang een deel van de dwangsom dus terug naar het Ministerie dat die dwangsom eerder heeft moeten betalen. 6.1. Het betoog van appellant slaagt niet. De dwangsom is een financiële prikkel voor het bestuursorgaan om te komen tot snellere besluitvorming. De dwangsom is dus niet bedoeld als een sanctie voor de minister voor het overschrijden van de beslistermijn en ook niet als vorm van genoegdoening voor degene die te lang op een besluit wacht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301, onder 19.13. Een toegekende dwangsom staat ook niet in de weg aan een verzoek om vergoeding voor geleden materiële en/of immateriële schade als gevolg van trage besluitvorming door het bestuursorgaan. Dat uit de woorden ‘financiële compensatie’ in de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2020 afgeleid moet worden dat het om een immateriële schadevergoeding gaat, volgt de Afdeling daarom niet. Dat heeft de rechtbank terecht overwogen. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat het COa en de IND een eigen financiering hebben. Alleen al daarom slaagt het betoog niet dat te zeer afbreuk wordt gedaan aan de financiële prikkel die van de dwangsom uitgaat, doordat deze uiteindelijk terugvloeit naar het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De grief slaagt niet. 7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het COa hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
574-1078
BIJLAGE
Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn)
Artikel 17
[…]
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de materiële opvangvoorzieningen voor verzoekers een levensstandaard bieden die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt.
3. De lidstaten kunnen de toekenning van alle of bepaalde materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de verzoekers niet beschikken over de nodige middelen voor een levensstandaard die voldoende is om hun gezondheid te verzekeren, noch over de nodige bestaansmiddelen.
4. Overeenkomstig lid 3 kunnen de lidstaten van de verzoekers, indien zij over voldoende middelen beschikken, bijvoorbeeld wanneer zij gedurende een redelijke tijd gewerkt hebben, een bijdrage verlangen voor het totaal of een deel van de kosten van de door deze richtlijn geboden materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg. Indien komt vast te staan dat een verzoeker over voldoende middelen beschikte om in die basisbehoeften te voorzien toen de materiële opvangvoorzieningen werden verstrekt, mogen de lidstaten hem vragen deze voorzieningen te vergoeden.
5. Wanneer de lidstaten materiële opvangvoorzieningen verstrekken in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen, wordt de hoogte daarvan vastgesteld op basis van de niveaus die door de betrokken lidstaat krachtens het recht of krachtens de praktijk zijn vastgesteld om nationale onderdanen een fatsoenlijke levensstandaard te bieden. De lidstaten kunnen verzoekers in dit opzicht minder gunstig behandelen dan eigen onderdanen met name indien de materiële steun gedeeltelijk in natura wordt verstrekt of indien die niveaus, die gelden voor onderdanen, een hogere levensstandaard beogen dan die welke deze richtlijn voor verzoekers voorschrijft.
Wet Centraal Orgaan Opvang asielzoekers
Artikel 3
1. Het COA is belast met:
a) de materiële en immateriële opvang van asielzoekers;
[…]
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in het tweede lid.
[…]
Artikel 5
1. In afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zijn de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens deze wet.
[…]
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
Artikel 20
1. De asielzoeker is verplicht onverwijld uit eigen beweging, of op verzoek van het COA, mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op verstrekkingen, het geldend maken van het recht op verstrekkingen, de duur van verstrekkingen of de hoogte van de toelagen die aan hem worden betaald. Indien deze feiten of omstandigheden betrekking hebben op een kind dan wordt de mededeling gedaan door de asielzoeker te wiens laste het kind komt en in het geval dit meer dan één asielzoeker betreft, door één van die asielzoekers.
2. Indien een asielzoeker of vergunninghouder die verblijft in een opvangvoorziening, daaronder begrepen de handhavings- en toezichtlocatie, dan wel de vergunninghouder bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c, beschikt over een vermogen groter dan de vermogensgrens, bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet of inkomsten heeft, anders dan kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of deze regeling, is die asielzoeker of vergunninghouder aan het COA een vergoeding verschuldigd in de kosten van zijn opvang alsmede van de opvang van zijn gezinsleden. De tegemoetkoming bedraagt per maand ten hoogste de economische waarde van de aan een asielzoeker of vergunninghouder feitelijk geboden verstrekkingen, met dien verstande dat de vergoeding niet meer bedraagt dan het bedrag van het in de eerste volzin bedoelde vermogen of de in de eerste volzin bedoelde inkomsten.
3. Indien na zijn verblijf in een opvangvoorziening of de handhavings- en toezichtlocatie blijkt dat een vreemdeling tijdens dit verblijf beschikte over een vermogen of inkomsten, bedoeld in het tweede lid, kan het COA de kosten van de opvang van deze vreemdeling alsmede de kosten van opvang van zijn gezinsleden van hem terugvorderen. De terug te vorderen kosten per maand zijn niet hoger dan de economische waarde van de aan de vreemdeling feitelijk geboden verstrekkingen, vermeerderd met de economische waarde van de aan ieder gezinslid feitelijk geboden verstrekkingen, met dien verstande dat het terug te vorderen bedrag niet meer bedraagt dan het bedrag van het in het tweede lid bedoelde vermogen of de in het tweede lid bedoelde inkomsten.
Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008
Artikel 2
Tot de aan de asielzoeker feitelijk geboden verstrekkingen, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Rva 2005, worden gerekend:
a) de aan of ten behoeve van de asielzoeker en zijn gezinsleden verstrekte financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven en de in natura verstrekte maaltijden;
b) het onderdak in een opvangcentrum of de financiële toelage ten behoeve van de huisvesting buiten een opvangcentrum.
Artikel 3
De economische waarde per maand, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Rva 2005, bedraagt:
a) van de verstrekkingen bedoeld in artikel 2, onderdeel a: de toelage bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Rva 2005, die aan of ten behoeve van de asielzoeker of vergunninghouder wordt of zou worden verstrekt voor het volledig zelf verzorgen van maaltijden, vermenigvuldigd met de factor 4,33;
b) van de verstrekkingen bedoeld in artikel 2, onderdeel b: € 50,00 voor een alleenstaande asielzoeker of vergunninghouder of eerste gezinslid, € 25,00, voor het tweede gezinslid en € 12,50 per volgend gezinslid, vermenigvuldigd met de factor 4,33, tot een maximum van € 433,00.
Artikel 7
[…]
2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
[…]
e) vergoedingen voor immateriële schade voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, vanuit een oogpunt van het verlenen van verstrekkingen als bedoeld in artikel 9 van de Rva 2005, verantwoord is.