ECLI:NL:RVS:2026:1818
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toeslagaanvragen na intrekking Nederlanderschap en verblijfscode zonder recht op toeslagen
Appellante, geboren in Rwanda en sinds 1998 in Nederland, kreeg in 2009 het Nederlanderschap, dat in 2017 werd ingetrokken wegens ernstige vermoedens van betrokkenheid bij misdrijven zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Na intrekking van het Nederlanderschap heeft zij asiel aangevraagd, wat is afgewezen, en een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning ingediend, waarbij zij verblijfscodes 31 en 32 kreeg toegekend.
De Dienst Toeslagen stelde de toeslagen over 2021 tot en met 2023 vast op nihil vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond en oordeelde dat de Dienst Toeslagen terecht uitging van de door de IND verstrekte verblijfscodes en dat deze codes geen recht op toeslagen geven. De rechtbank zag geen aanleiding voor nader onderzoek of toepassing van de Terugkeerrichtlijn.
In hoger beroep betoogde appellante dat de Dienst Toeslagen een eigen verantwoordelijkheid heeft om Unierecht toe te passen en dat zij recht heeft op minimale voorzieningen op grond van de Terugkeerrichtlijn. De Afdeling oordeelde dat de Dienst Toeslagen zich mag baseren op de IND-verblijfscodes en dat vragen over toelating en verblijfsrecht primair aan de minister van Asiel en Migratie toekomen. De Afdeling verwierp het beroep en bevestigde dat de toeslagen niet bedoeld zijn om het bestaansminimum te waarborgen.
Verder oordeelde de Afdeling dat het evenredigheidsbeginsel geen toepassing vindt omdat de wetgever het koppelingsbeginsel dwingend heeft geformuleerd en er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen. Ook de terugvordering van teveel betaalde toeslagen hoeft niet te worden gematigd, mede omdat de Dienst Toeslagen de terugvordering op oninbaar heeft gesteld.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellante geen recht heeft op toeslagen vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf.