ECLI:NL:RVS:2026:1831
Raad van State
- Hoger beroep
- E.J. Daalder
- J.Th. Drop
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toeslag herziening wegens niet-rechtmatig verblijf toeslagpartner
Appellante is getrouwd met een toeslagpartner die op 16 februari 2022 een afwijzing kreeg op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning door de IND. De Dienst Toeslagen stelde daarom dat appellante vanaf 1 maart 2022 geen recht heeft op zorg- en huurtoeslag, omdat de toeslagpartner niet rechtmatig in Nederland verblijft, zoals bepaald in artikel 9, tweede lid, van de Awir.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd overwogen dat de Dienst Toeslagen terecht uitging van het standpunt van de IND dat er geen sprake is van rechtmatig verblijf en dat de beoordeling van het verblijfsrecht een exclusieve bevoegdheid van de minister van Justitie is. De rechtbank oordeelde verder dat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet toepassing vindt en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De Afdeling overwoog dat geen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen appellante en haar toeslagpartner dat het recht op verblijf van de toeslagpartner rechtstreeks uit artikel 20 VWEU Pro volgt. Ook ontbrak onderbouwing van medische afhankelijkheid. De Afdeling bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening van de toeslagen wordt bevestigd.