Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2509

Raad van State

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
BRS.25.001067
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:85 AwbArt. 27 DublinverordeningArt. 29 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens verstreken overdrachtstermijn in Dublinprocedure

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam de asielaanvraag van betrokkene niet in behandeling omdat Slovenië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde vervolgens deze uitspraak en verwees de zaak terug naar de rechtbank. De rechtbank stelde opnieuw het besluit van 7 juni 2023 buiten werking.

De minister stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening, maar de voorzieningenrechter van de Afdeling bepaalde dat de minister geen uitvoering hoefde te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat het hoger beroep was beslist. De kern van het geschil betrof de vraag of de overdrachtstermijn in de Dublinprocedure was verstreken, waardoor Nederland verantwoordelijk werd voor de asielaanvraag.

De Afdeling oordeelde dat de voorlopige voorzieningen die eerder waren getroffen de overdrachtstermijn opschortten, maar dat deze voorzieningen waren vervallen na de uitspraak van de rechtbank. Omdat na terugwijzing geen nieuwe voorlopige voorziening was toegewezen, was de overdrachtstermijn op 24 augustus 2025 verstreken. Hierdoor kon de minister betrokkene niet meer overdragen aan Slovenië en had hij geen belang meer bij het hoger beroep. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verstreken overdrachtstermijn in de Dublinprocedure.

Uitspraak

BRS.25.001067
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 7 augustus 2025 in zaak nr. NL25.11412 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 7 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 24 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Bij uitspraak van 24 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:709, heeft de Afdeling het daartegen door de minister ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.
Bij uitspraak van 7 augustus 2025 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 juni 2023 opnieuw gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E. Arslan, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij uitspraak van 22 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4049, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Overwegingen
Inleiding
1.        De minister heeft de asielaanvraag van betrokkene niet in behandeling genomen, omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming.
Het belang van de minister bij het hoger beroep
2.        Betrokkene heeft zich in zijn schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat de minister geen belang heeft bij het hoger beroep en dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4198, heeft hij aangevoerd dat de overdrachtstermijn is verstreken. Tijdens de eerste behandeling van het beroep van betrokkene heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank op 10 juli 2023 weliswaar een voorlopige voorziening getroffen, maar omdat er tijdens de tweede behandeling bij de rechtbank geen verzoek om voorlopige voorziening is toegewezen, kan een in hoger beroep getroffen voorlopige voorziening de overdrachtstermijn niet opschorten, aldus betrokkene.
2.1.        De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat opnieuw verzocht kan worden om een voorlopige voorziening tijdens het hoger beroep, met als doel opschorting van de uiterste overdrachtstermijn tijdens de behandeling van het hoger beroep. Hij wijst erop dat deze zaak nog steeds gaat over het overdrachtsbesluit van 7 juni 2023. Gelet op de op 10 juli 2023 door de voorzieningenrechter van de rechtbank getroffen voorlopige voorziening, is het volgens de minister mogelijk om in hoger beroep opnieuw om een dergelijke voorziening te vragen.
2.2.        Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2023, onder 7 volgt dat een op verzoek van de minister in hoger beroep getroffen voorlopige voorziening de overdrachtstermijn alleen opschort als de voorzieningenrechter van de rechtbank de uitvoering van het overdrachtsbesluit in beroep heeft opgeschort. De door de voorzieningenrechter van de rechtbank gedurende de eerste behandeling van het beroep op 10 juli 2023 getroffen voorlopige voorziening heeft tot gevolg gehad dat de uitvoering van het overdrachtsbesluit in eerste aanleg was opgeschort overeenkomstig artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Daardoor was ook sprake van opschorting van de overdrachtstermijn overeenkomstig artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening. Dit betekent dat de overdrachtstermijn van zes maanden is gaan lopen vanaf de definitieve beslissing op het beroep op 24 november 2023. De minister is in hoger beroep gekomen tegen deze uitspraak. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Omdat de voorzieningenrechter van de rechtbank de uitvoering van het overdrachtsbesluit in beroep had opgeschort, leidde de door de voorzieningenrechter van de Afdeling getroffen voorlopige voorziening ook tot opschorting van de overdrachtstermijn. De termijn van zes maanden is daardoor gaan lopen vanaf de definitieve beslissing op het hoger beroep op 24 februari 2025.
2.3.        De door de voorzieningenrechter van de rechtbank op 10 juli 2023 getroffen voorlopige voorziening is vervallen op het moment dat de rechtbank op het beroep heeft beslist, dus op 24 november 2023. Dit staat in artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb. De voorlopige voorziening herleeft niet nadat de Afdeling de zaak naar de rechtbank heeft teruggewezen. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft na de terugwijzing van de Afdeling niet opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. De toewijzing in hoger beroep van het verzoek van de minister tot het treffen van een voorlopige voorziening leidt daarom niet tot opschorting van de overdrachtstermijn. Dit betekent dat de overdrachtstermijn is verstreken op 24 augustus 2025. Dat heeft tot gevolg dat de minister betrokkene niet meer kan overdragen aan Slovenië.
2.4.        Gelet daarop is het de vraag of de minister nog belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412, onder 5.2, heeft een bestuursorgaan, indien de rechtbank een besluit van dat bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, in beginsel belang bij het hoger beroep alleen al wegens de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan. In deze procedure ligt dit anders. De centrale vraag in de Dublinprocedure is welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag. Wat onder 2.3 is overwogen betekent in dit geval dat Nederland daarvoor verantwoordelijk is. De minister moet betrokkene dus opnemen in de nationale procedure. De minister betoogt in zijn hogerberoepschrift weliswaar dat van de uitspraak van de rechtbank mogelijk ongewenste precedentwerking uitgaat, maar het oordeel van de rechtbank is gebaseerd op de specifieke omstandigheden in deze zaak. Anders dan de minister aanvoert, werpt het hoger beroep gelet hierop geen rechtsvraag op die moet worden beantwoord wegens zaaksoverstijgend belang of mogelijke precedentwerking in soortgelijke zaken. De minister heeft daarom geen belang bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6208, onder 1.1.
Conclusie
3.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
918