ECLI:NL:RVS:2026:252

Raad van State

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
202407155/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 AwbAfdeling 4 hoofdstuk 7 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing beroep asielbesluit naar rechtbank en proceskostenveroordeling minister

Verzoekers hebben hoger beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie tot afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij hebben het hoger beroep op 7 januari 2026 ingetrokken en verzocht om proceskostenveroordeling van de minister op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat de minister de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden, ongeacht de rechtmatigheid van eventuele verlengingen van die termijn. Dit leidt tot toewijzing van het verzoek tot proceskostenvergoeding. De Afdeling past een wegingsfactor van 0,5 toe omdat het hoger beroep uitsluitend over de niet-tijdige besluitvorming ging.

Verder verwijst de Afdeling het beroep tegen het besluit van 24 december 2025 naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, omdat deze rechtbank gespecialiseerd is in de toetsing van asielbesluiten in eerste aanleg. Dit sluit aan bij de wettelijke taakverdeling tussen rechtbank en Afdeling bestuursrechtspraak. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van € 467,00 aan proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt verwezen naar de rechtbank Den Haag en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten wegens overschrijding van de beslistermijn.

Uitspraak

202407155/1/V1.
Datum uitspraak: 15 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker 1] en [verzoeker 1], mede voor hun minderjarige kinderen,
verzoekers,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb).
Procesverloop
Verzoekers, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, advocaat in Amsterdam, hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 november 2024 in zaak nr. NL24.33724.
De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend.
Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij verzoekers opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1.       Verzoekers hebben het hoger beroep op 7 januari 2026 ingetrokken en gelijktijdig het verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van Pro de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan hen is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen, zie ook de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1.
2.       De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22 en WBV 2023/3, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in haar uitspraak van 8 november 2023, die gaan over WBV 2022/22. De Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. Het Hof heeft nog geen antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in de verwijzingsuitspraak van 10 juli 2024. Nadat de Afdeling einduitspraak doet in de verwijzingszaak die gaat over WBV 2022/22 zal zij bezien of verdere aanhouding van zaken die vallen onder WBV 2023/3 nodig is, vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2219, onder 1 en 2.
3.       In dit geval heeft de minister bij besluit van 24 december 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, onder 3.3, volgt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, waarvan de loopbrief doorgaans het bewijs is. De minister kan de beslistermijn opschorten. In dit geval maakt het niet uit of de minister de beslistermijn heeft opgeschort of niet, omdat er na de ondertekening van het formulier model M35-H op 26 oktober 2023 meer dan vijftien maanden zijn verstreken voordat de minister het besluit heeft genomen op de asielaanvraag. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen en wijst het verzoek daarom toe.
4.       De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
5.       Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken. De toetsing door de Afdeling beperkt zich dus tot het besluit van 24 december 2025. Verzoekers hebben bij de rechtbank al beroep ingesteld tegen dat besluit. Bij de Afdeling is echter, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, al een beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 24 december 2025.
6.       De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 24 december 2025, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
7.       De Afdeling verwijst het beroep naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verwijst het beroep tegen het besluit van 24 december 2025, V-[…], naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026
977