ECLI:NL:RVS:2026:3015
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing zorgtoeslag wegens te late aanvraag voor jaren 2019-2021 bevestigd
Appellante diende op 28 augustus 2023 een aanvraag in voor zorgtoeslag over 2020 en 2021, welke door de Dienst Toeslagen werd afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke aanvraagtermijn zoals bepaald in artikel 15, eerste lid, van de Awir. Tevens werd een aanvraag voor 2019 afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde dat de termijn dwingendrechtelijk is en niet kan worden overschreden, ook niet vanwege haar verblijf in het buitenland.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de Dienst Toeslagen niet bevoegd was om over haar aanvraag te beslissen en dat eerdere bezwaarschriften en verzoeken als tijdige aanvragen moesten worden beschouwd. De Raad van State verwierp deze argumenten, bevestigde de zelfstandige bevoegdheid van de Dienst Toeslagen en oordeelde dat de bezwaarschriften geen intentie tot aanvraag van zorgtoeslag bevatten.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat de Dienst Toeslagen niet in strijd met zorgvuldigheids-, vertrouwens-, rechtszekerheids- of gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de zorgtoeslagaanvraag wegens te late indiening en verklaart het hoger beroep ongegrond.