ECLI:NL:RVS:2026:362

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
202202983/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing intrekking natuurvergunning op basis van Wet natuurbescherming

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van het college van gedeputeerde staten van Limburg tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 maart 2022. De rechtbank had het beroep van Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (MOB) en vereniging Leefmilieu gegrond verklaard en het college opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op hun verzoek om intrekking van een natuurvergunning. Het college had eerder, op 19 december 2019, het verzoek om intrekking afgewezen, omdat de vergunning volgens hen niet in strijd met de wet was verleend. MOB en Leefmilieu stelden dat de vergunning was verleend in strijd met de Wet natuurbescherming (Wnb) en dat de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet was uitgesloten. De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende had aangetoond dat de vergunning in overeenstemming was met de wet en dat de door het college voorgestelde herstelmaatregelen niet voldoende waren. In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte een verbeurde dwangsom had vastgesteld en dat het college tijdig had beslist op het verzoek van MOB en Leefmilieu. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking had op de dwangsom en de termijn voor het nemen van een nieuw besluit. Het college moet nu binnen 20 weken een nieuw besluit nemen, waarbij het rekening moet houden met de overwegingen van de Afdeling.

Uitspraak

202202983/1/R2.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 maart 2022 in zaak nr. 20/2157 in het geding tussen:
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en vereniging Leefmilieu (hierna: MOB en Leefmilieu), beide gevestigd in Nijmegen,
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2019 heeft het college het verzoek van 17 juli 2019 van MOB en Leefmilieu om de vergunning van 16 mei 2019, verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) aan [maatschap] in te trekken op grond van artikel 5.4, eerste lid en onder c en het tweede lid, van de Wnb, afgewezen.
Bij besluit van 7 juli 2020 heeft het college het door MOB en Leefmilieu daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 maart 2022 heeft de rechtbank het door MOB en Leefmilieu daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 juli 2020 vernietigd en het college opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft een verbeurde dwangsom vastgesteld ter hoogte van € 1.442,00 wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek van MOB en Leefmilieu.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
MOB en Leefmilieu hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
MOB en Leefmilieu hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie & Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 november 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. Jansen en J.W.M. Horbach, bijgestaan door mr. S.J. van Winzum, advocaat in Den Haag, en MOB en Leefmilieu, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, rechtsbijstandverlener in Gennep, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om een natuurvergunning in te trekken is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om de natuurvergunning in te trekken is ingediend op 17 juli 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wet natuurbescherming, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       [maatschap] exploiteert een rundveehouderij aan de [locatie] in Montfort. Op 19 mei 2016 heeft de veehouderij een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 verkregen voor de wijziging van de veehouderij. De natuurvergunning van 16 mei 2019 voorziet in een toename van het aantal vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en andere wijzingen. Zij is verleend op grond van het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS-vergunning). De wijziging die is vergund, maakt een toename van stikstofdepositie mogelijk waarvoor ontwikkelingsruimte is toebedeeld uit het PAS.
MOB en Leefmilieu hebben verzocht om intrekking op grond van artikel 5.4, eerste lid en onder c, van de Wnb, omdat de PAS-vergunning volgens hen is verleend in strijd met wettelijke voorschriften. Ook hebben MOB en Leefmilieu verzocht om intrekking van de PAS-vergunning op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb, omdat het bedrijf stikstofdepositie veroorzaakt op onder meer de Natura 2000-gebieden "Roerdal", "Geuldal", "De Groote Peel" en de "Deurnsche Peel & Mariapeel", terwijl niet uitgesloten is dat sprake is van verslechtering van die gebieden.
Besluiten van 19 december 2019 en 7 juli 2020
3.       In het besluit van 19 december 2019 heeft het college uiteengezet dat de activiteiten die zijn vergund met de PAS-vergunning van 16 mei 2019 voorzien in een toename van maximaal 0,45 mol/ha/jaar ten opzichte van de eerdere natuurvergunning van 19 mei 2016.
Volgens het college is de PAS-vergunning niet verleend in strijd met wettelijke voorschriften, omdat het moment van de verlening werd voldaan aan de toen geldende wettelijke bepalingen.
Wat betreft artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb verwijst het college naar de gebiedsgerichte aanpak, die is aangekondigd door toenmalig minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 oktober 2019 en 13 november 2019.
3.1.    In het besluit op bezwaar van 7 juli 2020 is het college bij het standpunt zoals verwoord in het besluit van 19 december 2019 gebleven.
De aangevallen uitspraak
Artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb
4.       De rechtbank heeft overwogen dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de door het college genoemde passende maatregelen hebben geleid of zullen leiden tot stikstofreductie in de betrokken Natura 2000-gebieden binnen afzienbare termijn.
Wat betreft de door het college genoemde hydrologische herstelmaatregelen heeft de rechtbank kort gezegd geoordeeld dat deze niet meetellen voor de vraag of er voldoende andere passende maatregelen worden getroffen waarmee de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn wordt bewerkstelligd.
Artikel 5.4, eerste lid en onder c, van de Wnb
5.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de PAS-vergunning op grond van artikel 5.4, eerste lid en onder c, van de Wnb, in strijd met artikel 2.8 van de Wnb is verleend, omdat aan die vergunning de passende beoordeling van het PAS ten grondslag ligt, die gebrekkig is. Dit betekent dat de PAS-vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend. De door het college gemaakte belangenafweging is volgens de rechtbank niet deugdelijk, omdat ten onrechte de rechtszekerheid doorslaggevend is geacht, terwijl de PAS-vergunning pas onherroepelijk is geworden na het verzoek om intrekking. Volgens de rechtbank moet het college kijken naar hoe ver de wijzigingen al zijn uitgevoerd, welke investeringen zijn gedaan, eventuele mogelijkheden tot reductie van stikstofdepositie en bijvoorbeeld de mogelijkheid tot het wijzigen van de PAS-vergunning.
Beslistermijn
6.       De rechtbank heeft ook geoordeeld over de vraag wat de beslistermijn is op een verzoek om intrekking en de vervolgvraag of daarmee de ingebrekestelling prematuur was die door MOB en Leefmilieu is verzonden aan het college. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat zij geen reden ziet in de Wnb of de memorie van toelichting daarop voor het oordeel dat de beslistermijn uit artikel 5.1, eerste lid, van de Wnb ook zou gelden voor besluiten op intrekkingsverzoeken. Volgens de rechtbank kan een aanvraag om verlening van een natuurvergunning niet gelijkgesteld worden met een aanvraag om wijziging of intrekking van die vergunning. Daarom geldt volgens de rechtbank een redelijke beslistermijn van acht weken op grond van artikel 4:13 van de Awb. Dit betekent volgens de rechtbank dat het college niet heeft voldaan aan de beslistermijn en daarmee de ingebrekestelling niet prematuur was. De rechtbank heeft zelf voorziend de hoogte van de verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1.442,00.
6.1.    Gelet op de door de rechtbank geconstateerde gebreken in het besluit op bezwaar van 7 juli 2020 heeft zij aan het college opgedragen om binnen acht weken opnieuw te beslissen op het bezwaar van MOB en Leefmilieu.
Behandeling van het hoger beroep
Artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb
Beoordelingskader
7.       Op grond van artikel 5.4, eerste lid aanhef en onder c, van de Wnb kan een natuurvergunning onder andere worden ingetrokken of gewijzigd als de vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend.
7.1.    Een natuurvergunning wordt op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb in elk geval ingetrokken of gewijzigd indien dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn (hierna: Hrl).
7.2.    In overwegingen 6.1 tot en met 7.3 van de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71, in combinatie met overwegingen 10 tot en met 10.7 van haar uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, is nader beschreven wat de verhouding is tussen het eerste en tweede lid van artikel 5.4 van de Wnb en welke afweging het college moet maken wanneer om intrekking van een natuurvergunning is verzocht. Het in die uitspraken beschreven beoordelingskader is ook in dit geval van toepassing.
Herstelmaatregelen
8.       Het college heeft op de zitting aangegeven dat hij, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969 en ECLI:NL:RVS:2025:2973, inziet dat de maatregelen die zijn benoemd in de besluiten van 19 december 2019 en 7 juli 2020, onvoldoende zijn toegespitst op de in deze zaak betrokken Natura 2000-gebieden om te kunnen concluderen dat een (dreigende) verslechtering of significante verstoring wordt voorkomen. Volgens het college is de rechtbank ook terecht tot dit oordeel is gekomen. Het college heeft op de zitting aangegeven dat het hoger beroep wat betreft artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb, zich alleen richt tegen de overwegingen van de rechtbank over de vraag in hoeverre hydrologische herstelmaatregelen kunnen worden betrokken in de motivering. De Afdeling zal hierna alleen ingaan op deze hoger beroepsgrond.
9.       Het college stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat op grond van artikel 6, tweede lid, van de Hrl, geen waarde kan worden toegekend aan de door het college genoemde hydrologische herstelmaatregelen in zijn verweerschrift bij de rechtbank. In dat verweerschrift heeft het college onder andere verwezen naar maatregelen, zoals het dempen van sloten, aanleg van kades, het plaatsen van stuwen en het aanleggen van bufferzones. Volgens het college kunnen deze maatregelen wel een rol spelen bij de vraag hoe robuust en draagkrachtig een Natura 2000-gebied is.
10.     De Afdeling leest overwegingen 10.1 en 16.1 van de aangevallen uitspraak zo dat de rechtbank van oordeel is dat de door het college genoemde hydrologische herstelmaatregelen niet kunnen worden betrokken in de vraag of het college voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn waardoor het intrekken van de natuurvergunning niet nodig is als passende maatregel.
De Afdeling begrijpt dat het college, door de formulering van de rechtbank, in de veronderstelling is dat de rechtbank geen enkele waarde toekent aan herstelmaatregelen, maar deze veronderstelling deelt de Afdeling niet.
10.1.  Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat in gevallen waarin een daling van stikstofdepositie ter voorkoming van verslechtering van natuurwaarden nodig is, maatregelen die niet zien op het reduceren van stikstofdepositie niet kunnen worden betrokken bij de vraag of intrekking van een natuurvergunning, die alleen ziet op activiteiten met stikstofdepositie, nodig is als passende maatregel. Bij die vraag kan het college in zijn beoordelingsruimte alleen passende maatregelen betrekken die zien op het reduceren van stikstofdepositie.
Maar dit betekent niet dat aan herstelmaatregelen in zijn geheel geen waarde kan toekomen. Zoals staat in overweging 10.7 van de uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, moet het college onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar zijn oordeel noodzakelijk is en binnen welke termijn deze daling kan worden gerealiseerd. Ten behoeve van het ecologisch in kaart brengen van de staat van de natuurwaarden en het bepalen welke daling het college noodzakelijk acht, kunnen de effecten van herstelmaatregelen een rol spelen. Zoals door zowel het college en MOB en Leefmilieu op de zitting is bevestigd, kunnen hydrologische herstelmaatregelen leiden tot een robuuster Natura 2000-gebied dat (een overschrijding van) stikstofdepositie beter kan verdragen. In zoverre kan dus belang worden toegekend aan andersoortige passende maatregelen. Hierbij merkt de Afdeling wel op dat, zoals hierboven ook uiteengezet, na het onderbouwen welke daling van stikstofdepositie noodzakelijk is en binnen welke termijn deze daling kan worden gerealiseerd, alleen verwezen kan worden naar (te treffen) passende maatregelen die zien op een reductie van stikstofdepositie voor de onderbouwing dat het intrekken van de natuurvergunning, die ziet op activiteiten met stikstofdepositie, niet nodig is als passende maatregel.
Het betoog slaagt niet.
11.     Het bovenstaande betekent dat het college opnieuw op het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om intrekking voor zover dat ziet op artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb zal moeten beslissen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de PAS-vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend en daardoor de intrekkingsgrond van artikel 5.4, eerste lid en onder c, van de Wnb van toepassing is. Hiertegen zijn geen hoger beroepsgronden gericht, waardoor het college ook opnieuw hierover zal moeten beslissen. Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan de beoordeling van de hoger beroepsgrond van het college die zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat het college ten onrechte doorslaggevend belang heeft toegekend aan de rechtszekerheid van vergunninghouder in de belangenafweging behorende bij artikel 5.4, eerste lid en onder c, van de Wnb. Het college zal namelijk een nieuw besluit moeten nemen waarin hij opnieuw beoordeelt of de PAS-vergunning op grond van artikel 5.4, eerste lid en onder c, en het tweede lid, van de Wnb moet worden ingetrokken. Hierbij zal het college opnieuw een belangenafweging moeten maken, als het intrekken van de PAS-vergunning niet nodig is op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb.
Beslistermijn
12.     Het college betoogt dat het met het besluit van 19 december 2019 tijdig heeft beslist op het verzoek van MOB en Leefmilieu van 17 juli 2019. Volgens het college moet op grond van het zogenoemde actus contrarius-beginsel dezelfde termijn voor wijzigings- en intrekkingsbesluiten op grond van de Wnb worden gehanteerd als voor een aanvraag om een Wnb-vergunning. Hiertoe voert het college aan dat in dit geval de Wnb zwijgt over welke beslistermijn geldt voor verzoeken om intrekking. Dit betekent dat een termijn van dertien weken geldt op grond van artikel 5.1, eerste lid, van de Wnb en niet de redelijke termijn van acht weken op grond van artikel 4:13 van de Awb.
Daarnaast stelt het college zich op het standpunt dat voor besluiten op verzoeken om intrekking van een natuurvergunning, net als voor natuurvergunningen, inspraakmogelijkheden moeten worden geboden waardoor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure verplicht moet worden toegepast. Dit zou betekenen dat de beslistermijn 26 weken bedraagt.
13.     In het besluit van 19 december 2019 staat onder paragraaf 2 dat het college op het verzoek om intrekking van de natuurvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van titel 4.1 van de Awb heeft toegepast. Dit betekent dat een besluit op het verzoek is genomen waartegen bezwaar openstaat. Omdat het college titel 4.1 van de Awb heeft toegepast, moet de Afdeling zich beperken tot de vraag of het college in dit geval de juiste beslistermijn heeft gehanteerd. Hierdoor komt de Afdeling niet toe aan de vraag of voor wijzigings- of intrekkingsbesluiten de uniforme openbare voorbereidingsprocedure moet worden gehanteerd en daarom een beslistermijn van 26 weken zou gelden.
14.     Anders dan de rechtbank komt de Afdeling tot het oordeel dat de beslistermijn voor het besluit op het verzoek om intrekking, wanneer de reguliere voorbereidingsprocedure is gehanteerd, 13 weken bedraagt op grond van artikel 5.1, eerste lid van de Wnb. Deze termijn kan eenmalig worden verlengd met zeven weken op grond van het tweede lid van artikel 5.1 van de Wnb.
Hiertoe overweegt de Afdeling dat uit het zogenoemde "actus-contrariusbeginsel" volgt dat, indien de wet zwijgt over de toepasselijkheid van een voor het oorspronkelijk besluit geldende procedure op wijzigings- en intrekkingsbesluiten, de procedurevoorschriften die gelden voor het oorspronkelijke besluit ook gelden voor het wijzigings- of intrekkingsbesluit. Dit betekent dat eerst moet worden bezien of de Wnb zwijgt over de toepasselijkheid van de procedurevoorschriften voor een besluit op verzoek tot intrekking of wijziging van een natuurvergunning.
14.1.  De Afdeling stelt vast dat in de Wnb geen procedurevoorschriften zijn opgenomen voor besluiten op een verzoek tot wijziging of intrekking van een natuurvergunning. Dit betekent dat de Wnb zwijgt over de procedure die geldt voor wijzigings- en intrekkingsbesluiten en daarom de procedurevoorschriften gelden die ook voor het oorspronkelijke besluit, in dit geval een besluit tot verlening van een natuurvergunning, gelden.
Voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de wet niet zwijgt over de toepasselijkheid, omdat in artikel 5.1, eerste lid, van de Wnb in samenhang gelezen met de memorie van toelichting op die wet, volgt dat die beslistermijn alleen geldt voor natuurvergunningen en ontheffingen, volgt de Afdeling dit niet.
14.2.  In artikel 5.1, eerste lid, van de Wnb staat weliswaar dat die termijn geldt voor aanvragen om een bij of krachtens deze wet vereiste vergunning of ontheffing, maar dit betekent niet dat aanvragen om wijziging of intrekking van die vergunning niet vallen onder deze bepaling. Op pagina 281 van de memorie van toelichting bij artikel 5.1 van de Wnb is uitgelegd dat "een bij of krachtens deze wet vereiste vergunning of ontheffing" is opgenomen om een onderscheid te maken tussen besluiten op grond van de Wnb en besluiten op grond van andere wetgeving waarbij toetsing van natuuraspecten van een project of activiteit plaatsvindt. De Afdeling vindt verder in de wet noch de toelichting daarop aanwijzingen dat de wetgever heeft bedoeld om de procedurevoorschriften in artikel 5.1 van de Wnb niet van toepassing te verklaren op besluiten over wijziging of intrekking van een natuurvergunning.
Op de zitting hebben MOB en Leefmilieu bevestigd dat zij niet bestrijden dat, als de Afdeling tot het oordeel komt dat de beslistermijn uit artikel 5.1 van de Wnb van toepassing is, het college dan tijdig op het verzoek heeft beslist en de ingebrekestelling prematuur was. Gelet op het oordeel van de Afdeling hierboven heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college niet tijdig op het verzoek heeft beslist en daardoor een dwangsom is verbeurd.
Het betoog slaagt.
Termijn opdracht van de rechtbank
15.     De rechtbank heeft een onredelijk korte termijn gegeven om uitvoering te geven aan de uitspraak volgens het college. De opdracht van de rechtbank is om te kijken naar de overbelasting van stikstofdepositie en reductie daarvan, het bekijken van de bijdrage van de intrekking van de PAS-vergunning en andere mogelijke passende maatregelen en dit is teveel om binnen acht weken te kunnen uitvoeren, zo betoogt het college.
16.     Voor zover MOB en Leefmilieu op de zitting hebben aangegeven dat het college geen belang heeft bij de behandeling van deze hoger beroepsgrond, volgt de Afdeling dit niet. Niet uitgesloten is dat een beroep niet-tijdig beslissen wordt ingediend of dat de beslistermijn relevant kan zijn in het kader van eventueel geleden schade. De Afdeling zal hieronder de hoger beroepsgrond inhoudelijk behandelen.
16.1.  Gelet op wat is overwogen onder 14.1 en 14.2, is de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit op een verzoek om wijziging of intrekking van een natuurvergunning 13 weken. Anders dan de rechtbank, ziet de Afdeling geen omstandigheden waardoor in dit geval een kortere termijn kan gelden dan de wettelijke beslistermijn. Dit betekent dat de rechtbank een onredelijk korte termijn heeft gegeven om opnieuw te beslissen op het verzoek.
Het betoog slaagt.
Conclusie hoger beroep
17.     Gelet op wat is overwogen onder 14 en 14.1, 16 en 16.1, is het hoger beroep gegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen, voor zover daarin een verbeurde dwangsom is vastgesteld wegens niet tijdig beslissen op het verzoek en voor zover daarin het college is opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.
De Afdeling zal het college opdragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
18.     Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
19.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
20.     MOB en Leefmilieu hebben bij brief van 27 oktober 2025 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
20.1.  De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
20.2.  Het college heeft het bezwaarschrift van MOB en Leefmilieu ontvangen op 22 januari 2020. De redelijke termijn is in deze procedure met 24 maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de rechtbank en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 6/24e deel aan de rechtbank en voor 18/24e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
20.3.  De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2000,00. Daarbij wordt opgemerkt dat MOB samen met Leefmilieu procedeert, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen, zodat zij ieder voor zich recht hebben op € 1000,00.
21.     De Staat (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet de proceskosten vergoeden voor het verzoek om schadevergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van het college van gedeputeerde staten van Limburg gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover:
- daarin een verbeurde dwangsom is vastgesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om intrekking of wijziging van de natuurvergunning;
- daarin het college van gedeputeerde staten van Limburg is opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit te nemen op het bezwaar voor zover het betreft het verzoek om intrekking of wijziging van de natuurvergunning met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank;
III.      draagt het college van gedeputeerde staten van Limburg op om binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak en met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
IV.      bepaalt dat tegen het nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
V.       wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
VI.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A en de Vereniging Leefmilieu een schadevergoeding van € 2000,00 te betalen (€ 500,00 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 1.500,00 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VII.     veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A en de Vereniging Leefmilieu in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00 (€ 233,50 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 233,50 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, voorzitter, mr. J.C.A. de Poorter en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.
w.g. Gundelach
voorzitter
w.g. Pistoor
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
932