ECLI:NL:RVS:2026:3925

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
202305234/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.20 WaboArt. 3 Wet BibobArt. 2.1 WaboArt. 2.3a WaboArt. 2.2 Besluit omgevingsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering omgevingsvergunning Stone Hostel Utrecht wegens onvoldoende motivering Wet Bibob

Sam Companies B.V. exploiteert het Stone Hostel Utrecht en vroeg een omgevingsvergunning aan om het hostel uit te breiden naar de begane grond. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht weigerde deze vergunning op grond van de Wet Bibob, vanwege een ernstig gevaar dat de vergunning zou worden gebruikt voor strafbare feiten. Het Landelijk Bureau Bibob bracht adviezen uit die overtredingen van de Drank- en Horecawet en de Wabo signaleren.

De rechtbank Midden-Nederland vernietigde het eerdere besluit wegens ontoereikende motivering en onvoldoende onderzoek. Het college nam een nieuw besluit op bezwaar, dat opnieuw werd aangevochten. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college alleen de overtredingen van de Drank- en Horecawet als grondslag mag gebruiken, omdat andere overtredingen door rechterlijke uitspraken zijn vernietigd of onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt.

De Afdeling stelt dat het college niet heeft gemotiveerd waarom de twee overtredingen van de Drank- en Horecawet een ernstig gevaar vormen dat de vergunning zal worden gebruikt voor strafbare feiten. Daarom is het besluit niet evenredig en wordt het vernietigd. Tevens wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling wijst proceskosten en een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en onaanvaardbare risico-inschatting onder de Wet Bibob.

Uitspraak

202305234/1/A3.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Sam Companies B.V., gevestigd in Utrecht,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2021 heeft het college de aanvraag van Sam Companies om een omgevingsvergunning afgewezen.
Bij besluit van 25 oktober 2021 heeft het college het door Sam Companies hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 juni 2023, kenmerk 21/4860, heeft de rechtbank Midden-Nederland het door Sam Companies daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 oktober 2021 vernietigd, en het college opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
Sam Companies heeft bij de Afdeling beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar door het college naar aanleiding van de rechtbankuitspraak.
Bij besluit van 18 augustus 2023 heeft het college het bezwaar van Sam Companies opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft Sam Companies gronden aangevoerd.
Bij brief van 21 augustus 2023 heeft het college zijn hoger beroep ingetrokken.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Sam Companies heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2025, waar Sam Companies, vertegenwoordigd door mr. L.W. Tellegen, advocaat in Amsterdam, mr. F.K. van Wijk en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Buitenhuis, advocaat in Breda, mr. A. Braxhoven en mr. H. Kavi, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Wettelijk kader
2.       De voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak.
Inleiding
3.       Sam Companies exploiteert het Stone Hostel Utrecht, dat is gelegen op de eerste en tweede verdieping van het pand aan de Biltstraat 31 in Utrecht. De begane grond van het pand heeft het adres Biltstraat 29. Sam Companies heeft een omgevingsvergunning aangevraagd om het hostel uit te breiden naar de begane grond en om het restaurant te verkleinen.
3.1.    Bij besluit van 20 januari 2021 heeft het college op grond van artikel 2.20, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), in samenhang gelezen met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob), geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen. Het college stelt zich op basis van een advies van het Landelijk Bureau Bibob (hierna: LBB) van 7 december 2020 op het standpunt dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob.
Het college heeft het door Sam Companies hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 25 oktober 2021.
3.2.    Bij uitspraak van 1 juni 2023 heeft de rechtbank het door Sam Companies hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd. Volgens de rechtbank heeft het college het advies van het LBB van 7 december 2020 niet aan de besluitvorming ten grondslag mogen leggen en berust het besluit op een ontoereikende motivering en onvoldoende onderzoek. De rechtbank heeft het college opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
3.3.    Op 14 augustus 2023 heeft Sam Companies bij de Afdeling beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar naar aanleiding van de rechtbankuitspraak.
3.4.    Bij besluit van 18 augustus 2023 heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van Sam Companies en heeft het college het besluit van 20 januari 2021, onder aanpassing van de motivering en onderbouwing, in stand gelaten.
3.5.    Bij brief van 21 augustus 2023 heeft het college zijn hoger beroep ingetrokken.
Beroep tegen niet tijdig beslissen
4.       Op het moment dat Sam Companies beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen, had het college nog geen nieuw besluit op bezwaar genomen. Dat heeft het college inmiddels wel gedaan. Niet is gesteld of gebleken dat Sam Companies nog procesbelang heeft bij zijn beroep tegen niet tijdig beslissen. De Afdeling zal dit beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
5.       Nu het beroep zich richtte tegen het niet tijdig nemen van een besluit en niet te vroeg is ingesteld, is het college met het alsnog nemen van het besluit van 18 augustus 2023 in zoverre aan Sam Companies tegemoetgekomen. Daarom moet het college de proceskosten vergoeden.
Beroep van rechtswege tegen het besluit van 18 augustus 2023
6.       Het college heeft uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank door op 18 augustus 2023 een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De latere intrekking van het hoger beroep leidt er niet toe dat het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit teniet wordt gedaan.
7.       Het college heeft bericht dat de bestuurder van Sam Companies in november 2023 is overleden. Ter zitting is gebleken dat de rechtspersoon nog steeds bestaat, maar dat het hostel niet meer wordt geëxploiteerd. De Afdeling acht niet onaannemelijk dat Sam Companies schade heeft geleden als gevolg van de besluitvorming. Sam Companies heeft in ieder geval om die reden procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
8.       Het college heeft aan het besluit van 18 augustus 2023 een aanvullend advies van het LBB van 25 juli 2023 ten grondslag gelegd. Op basis van dit advies stelt het college zich opnieuw op het standpunt dat er een ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob.
Het LBB heeft aan het advies van 25 juli 2023 ten grondslag gelegd dat er ernstige vermoedens zijn dat Sam Companies de volgende overtredingen heeft begaan die strafbaar zijn gesteld in de Wet economische delicten:
- Het ernstige vermoeden dat Sam Companies op 2 augustus 2019 en op 19 oktober 2019 heeft gehandeld in strijd met de artikelen 18 en 25 van de destijds geldende Drank- en Horecawet. Hiertoe is op 17 december 2019 een last onder dwangsom opgelegd aan Sam Companies.
- Het ernstige vermoeden dat Sam Companies op 16 februari 2021 in strijd heeft gehandeld met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, wegens het zonder vergunning verstrekken van logies op de begane grond van het pand aan de Biltstraat 29-31 in Utrecht. Op 18 februari 2021 is hiertoe een last onder bestuursdwang opgelegd aan Sam Companies.
- Het ernstige vermoeden dat Sam Companies op 16 februari 2021 heeft gehandeld in strijd met artikel 2.99, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012, omdat het logiesverblijf op de begane grond niet is gelegen in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment. Op 18 februari 2021 is hiertoe een last onder bestuursdwang opgelegd aan Sam Companies.
In aanvulling op het advies van het LBB betrekt het college bij de beoordeling van de mate van gevaar ook dat er een ernstig vermoeden bestaat dat Sam Companies op 2 en 4 augustus 2022 heeft gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, artikel 2.3a, eerste lid van de Wabo, en artikel 1b van de Woningwet. Hiertoe heeft het college op 2 augustus 2022 een mondelinge bouwstop opgelegd, die bij besluit van 5 augustus 2022 op schrift is gesteld, en bij dat besluit is hiertoe tevens een last onder dwangsom opgelegd aan Sam Companies. Bij besluit van 15 december 2022 heeft het college het besluit van 5 augustus 2022 gewijzigd.
9.       Sam Companies betoogt dat de feiten die het college aan het besluit van 18 augustus 2023 ten grondslag heeft gelegd, niet de conclusie rechtvaardigen dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob. Ten aanzien van de overtredingen van artikelen 18 en 25 van de Drank- en Horecawet betoogt Sam Companies dat het geen ernstige overtredingen zijn. Bovendien zijn deze overtredingen niet herhaaldelijk gepleegd en is er sprake van groot tijdsverloop sinds die overtredingen. Sam Companies bestrijdt gemotiveerd de overige overtredingen die het college aan het besluit ten grondslag legt.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, artikel 2.3a, eerste lid van de Wabo, en artikel 1b van de Woningwet
10.     Ten aanzien van het door het college gestelde ernstige vermoeden dat Sam Companies op 2 en 4 augustus 2022 heeft gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, artikel 2.3a, eerste lid van de Wabo, en artikel 1b van de Woningwet, overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft dit vermoeden gebaseerd op de besluiten van 5 augustus 2022 en 15 december 2022, waarin vanwege de gestelde overtredingen een bouwstop op schrift is gesteld en een last onder dwangsom is opgelegd aan Sam Companies. De rechtbank Midden-Nederland heeft bij uitspraak van 28 november 2023 het beroep van Sam Companies tegen de besluiten van 5 augustus 2022 en 15 december 2022 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd, omdat niet is gebleken van de door het college gestelde overtredingen. Bij uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2026:3923, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De besluiten van 5 augustus 2022 en 15 december 2022 zijn dus vernietigd en kunnen daarom niet langer ten grondslag worden gelegd aan de weigering van de omgevingsvergunning. Anders dan het college stelt, doet aan het voorgaande niet af dat de handhavingsbesluiten pas na het besluit van 18 augustus 2023 zijn vernietigd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen mag het college in beginsel handhavingsbesluiten die nog niet onherroepelijk zijn ten grondslag leggen aan de weigering van een vergunning, maar accepteert het daarmee ook het risico dat deze besluiten later vernietigd worden (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2294, onder 8.1).
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo
11.     Ten aanzien van het gestelde ernstige vermoeden dat Sam Companies op 16 februari 2021 heeft gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, overweegt de Afdeling als volgt. De rechtbank Midden-Nederland heeft bij uitspraak van 21 oktober 2022 het beroep van Sam Companies voor zover gericht tegen de last onder bestuursdwang gegrond verklaard, en het besluit op bezwaar van 20 november 2021 in zoverre vernietigd en het besluit van 18 februari 2021 in zoverre herroepen. Partijen zijn niet opgekomen tegen dit deel van de rechtbankuitspraak. De last onder bestuursdwang kan daarom niet langer ten grondslag worden gelegd aan de weigering van de omgevingsvergunning.
11.1.  Uit het LBB-advies dat aan het besluit ten grondslag ligt, blijkt dat het LBB het vermoeden dat Sam Companies de overtreding heeft begaan, niet alleen heeft gebaseerd op de last onder bestuursdwang, maar ook op het proces-verbaal van bevindingen van de inspecteurs van 16 februari 2021. Daarin staat dat op de begane grond een kamer was ingericht als slaapkamer. In het proces-verbaal is ook een foto opgenomen van de ruimte. Op grond van die foto acht het LBB aannemelijk dat sprake is van een slaapkamer en niet van een opslagruimte, zoals Sam Companies stelt. Het LBB wijst erop dat de rechtbank Midden-Nederland in de uitspraak van 21 oktober 2022 heeft geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de bevindingen van de inspecteurs dat er iemand in de ruimte op de begane grond heeft overnacht.
11.2.  De Afdeling overweegt dat dit oordeel van de rechtbank alleen rechtskracht heeft in het geschil over de last onder bestuursdwang en zich niet uitstrekt tot een ander besluit in een ander geschil, zoals het onderhavige besluit over de weigering van de omgevingsvergunning. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3741, onder 2.2.1. In deze procedure ligt dus ter beoordeling voor of het college aan het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning redelijkerwijs ten grondslag heeft kunnen leggen dat er een ernstig vermoeden is dat Sam Companies heeft gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo.
11.3.  Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2279, is het in artikel 3 van Pro de Wet Bibob genoemde begrip "vermoeden" betrokken op het in relatie staan tot strafbare feiten en niet op die strafbare feiten. Wat betreft die strafbare feiten is niet vereist dat die op grond van een onherroepelijke veroordeling van de dader in rechte zijn vastgesteld. Wel moet aannemelijk zijn dat die strafbare feiten zijn gepleegd. Dat betekent dat zozeer waarschijnlijk is dat die feiten hebben plaatsgevonden, dat ze daarom als vaststaand moeten worden aangenomen.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college de gestelde overtreding onvoldoende aannemelijk gemaakt. De gestelde overtreding betreft het handelen in strijd met het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit omgevingsrecht. Op grond daarvan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk in gebruik te nemen of te gebruiken, waarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een overtreding, omdat volgens de bevindingen van de inspecteurs iemand in een kamer op de begane grond heeft geslapen, terwijl Sam Companies niet over een omgevingsvergunning beschikt die een logiesfunctie op de begane grond toestaat. De Afdeling overweegt dat, wat er ook zij van de gestelde overnachting, door Sam Companies terecht is betoogd dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gestelde nachtverblijf bedrijfsmatig is verschaft. Hiervoor ontbreekt een onderbouwing in het proces-verbaal en het college heeft dit ook anderszins niet onderbouwd. Het college heeft de gestelde overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt en niet aan het besluit ten grondslag mogen leggen.
Artikel 2.99, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012
12.     Op grond van artikel 2.99, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012, moet een logiesverblijf in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment liggen. Gelet op wat onder 11.3 is overwogen, heeft het college onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de ruimte op de begane grond werd gebruikt als logiesverblijf. Reeds daarom heeft het college ook de gestelde overtreding van artikel 2.99, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 niet aan het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning ten grondslag mogen leggen.
Artikelen 18 en 25 van de Drank- en Horecawet
13.     Uit het LBB-advies dat aan het besluit van 18 augustus 2023 ten grondslag ligt, blijkt dat het LBB het ernstige vermoeden dat Sam Companies op 2 augustus 2019 en 19 oktober 2019 heeft gehandeld in strijd met de artikelen 18 en 25 van de destijds geldende Drank- en Horecawet, heeft gebaseerd op de last onder dwangsom die de burgemeester bij besluit van 17 december 2019 aan Sam Companies heeft opgelegd. Met de uitspraak van de Afdeling van heden, ECLI:NL:RVS:2026:3922, is de rechtmatigheid van het besluit van 17 december 2019 in rechte komen vast te staan. Het college heeft daarom het ernstige vermoeden dat Sam Companies heeft gehandeld in strijd met de artikelen 18 en 25 van de Drank- en Horecawet mogen betrekken bij de besluitvorming.
13.1.  Gelet op wat onder 10 tot en met 12 is overwogen, heeft het college de overige gestelde overtredingen echter niet bij het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning mogen betrekken. Nu aan dat besluit alleen nog de overtredingen van de Drank- en Horecawet ten grondslag kunnen worden gelegd, mist het besluit een deugdelijke motivering waarom deze twee overtredingen een ernstig gevaar opleveren dat de gevraagde omgevingsvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het gaat alleen nog om de twee overtredingen op 2 augustus 2019 en 19 oktober 2019 van het verbod om in een horecabedrijf alcoholhoudende dranken aanwezig te hebben en te verkopen, zonder de hiervoor benodigde Drank- en Horecavergunning. Niet in geschil is dat Sam Companies heeft voldaan aan de hiertoe opgelegde last onder dwangsom van 17 december 2019 en dat deze overtredingen nadien niet meer zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de Afdeling is het besluit niet voorzien van een deugdelijke motivering dat de weigering van de omgevingsvergunning evenredig is met de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten, zoals bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob.
Het betoog slaagt.
Conclusies ten aanzien van de beroepen
14.     Het beroep van Sam Companies tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar is niet-ontvankelijk.
Het beroep van rechtswege van Sam Companies tegen het besluit op bezwaar van 18 augustus 2023 is gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen. Het college moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak.
15.     Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
16.     Het college moet de proceskosten vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
17.     Sam Companies heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
18.     De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
19.     Het college heeft het bezwaarschrift van Sam Companies ontvangen op 4 maart 2021. Anders dan het college stelt, is de Afdeling van oordeel dat de zaak niet zodanig ingewikkeld is dat dit aanleiding geeft tot verlenging van de termijn. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 1 jaar en 4 maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan het college en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 1/8e deel aan het college en voor 7/8e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
20.     De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.500,00.
21.     Het college en de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moeten ieder de helft van de proceskosten vergoeden die Sam Companies heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar niet-ontvankelijk;
II.       verklaart het beroep van rechtswege tegen het besluit van 18 augustus 2023 gegrond;
III.      vernietigt het besluit van 18 augustus 2023, zaaknummer 11525427;
IV.      bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
V.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij Sam Companies B.V. in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VI.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan Sam Companies B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 vergoedt;
VII.     wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht om aan Sam Companies B.V. een schadevergoeding van € 187,50 te betalen;
IX.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Sam Companies B.V. een schadevergoeding van € 1.312,50 te betalen;
X.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij Sam Companies B.V. in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
XI.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij Sam Companies B.V. in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Houtman-van de Meerakker, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Houtman-van de Meerakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
929
BIJLAGE | Wettelijk kader
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
Artikel 3
1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
b. strafbare feiten te plegen.
[…]
3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:
a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,
b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of
c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van betrokkene is, dan wel zeggenschaphebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan.
5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van het gevaar en
b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
[…]
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
[…]
d. het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen,
[…]
Artikel 2.3a
1. Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing indien voor het bouwen van het desbetreffende bouwwerk op grond van artikel 2.1, derde lid, geen omgevingsvergunning is of was vereist, met dien verstande dat indien in een dergelijk geval sprake is van een bouwwerk waarvan de aanwezigheid slechts een beperkte periode is toegestaan, het eerste lid uitsluitend buiten toepassing blijft gedurende die periode.
Artikel 2.20
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, of in artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10, artikel 2.11, onderscheidenlijk artikel 2.14 slechts weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van Pro de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van Pro die wet, voor zover het deze wet betreft, onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld.
2. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van Pro de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van Pro die wet worden gevraagd.
[…]
Besluit omgevingsrecht
Artikel 2.2
1. Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de wet worden aangewezen:
a. het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen, dan wel het in afwijking daarvan bij de bouwverordening, bedoeld in artikel 8 van Pro de Woningwet, bepaalde aantal personen;
[…]
Bouwbesluit 2012
Artikel 2.99
[…]
6. Een logiesverblijf is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.
[…]