ECLI:NL:RVS:2026:4301
Raad van State
- Hoger beroep
- W. den Ouden
- J.C.A. de Poorter
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig besluit aanvullende compensatie kinderopvangtoeslag
De zaak betreft een hoger beroep van de Dienst Toeslagen tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland waarin het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag aanvullende compensatie voor werkelijke schade in het kader van de hersteloperatie toeslagen werd vastgesteld. De rechtbank had bepaald dat de Dienst Toeslagen uiterlijk op 21 maart 2026 een besluit moest nemen en een dwangsom van € 50,00 per dag moest betalen bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,00.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en overwogen dat de huidige uitvoeringsproblematiek en de omvang van de werkvoorraad zodanig zijn dat een effectieve nadere beslistermijn niet kan worden vastgesteld. De Afdeling concludeert dat moet worden teruggevallen op de wettelijke beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak en dat het opleggen van een dwangsom op dit moment contraproductief is.
De Afdeling vernietigt daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank dat een nadere beslistermijn van 21 maart 2026 en een dwangsom van € 50,00 per dag oplegt. De Dienst Toeslagen wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen, zonder dat een dwangsom wordt opgelegd. Hiermee wordt de rechtszekerheid voor de gedupeerde ouder niet verder ondermijnd, maar wordt ook rekening gehouden met de uitvoeringsproblematiek en de beperkte capaciteit.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Dienst Toeslagen wordt gegrond verklaard, de eerdere beslistermijn en dwangsom worden vernietigd, en de Dienst Toeslagen moet binnen twee weken een besluit nemen zonder dwangsom.