ECLI:NL:RVS:2026:564

Raad van State

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
202306348/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:11 AwbArt. 69 Vw 2000Art. 9 lid 2 Vw 2000Art. 91 lid 2 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake niet-ontvankelijkheid bezwaar verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan

Betrokkene, een Poolse gemeenschapsonderdaan, kreeg op 14 juli 2022 het besluit dat zij geen verblijfsrecht meer had in Nederland. Haar bezwaar tegen dit besluit en een afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsdocument werden door de staatssecretaris niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank Den Haag oordeelde echter dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege haar gebrek aan juridische ervaring, gezondheidsklachten en stress door beëindiging van bijstandsuitkering.

De minister stelde hoger beroep in tegen dit oordeel, stellende dat de omstandigheden niet uitzonderlijk genoeg waren om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. De Afdeling bestuursrechtspraak volgde de minister en vernietigde het oordeel van de rechtbank over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding voor het besluit van 14 juli 2022. Voor het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2022 oordeelde de Afdeling dat betrokkene tijdig bezwaar had gemaakt, ondanks dat het bestuursorgaan dit betwistte.

De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het beroep tegen het besluit van 14 juli 2022 gegrond had verklaard en verklaarde dat beroep ongegrond. Voor het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2022 bleef de uitspraak van de rechtbank in stand, met de verplichting voor de minister om een nieuw besluit te nemen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00 voor de rechtsbijstand van betrokkene.

Uitkomst: Hoger beroep minister gegrond verklaard, bezwaar tegen besluit van 14 juli 2022 niet-ontvankelijk, bezwaar tegen besluit van 16 december 2022 tijdig ingediend en minister veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

202306348/1/V1.
Datum uitspraak: 30 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de hoger beroepen van:
1.       de minister van Asiel en Migratie,
2.       [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 september 2023 in zaken nrs. NL23.13104 en NL23.13107 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juli 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat betrokkene geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.
Bij besluit van 16 december 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van betrokkene om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000, waaruit duurzaam rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluiten van 2 april 2023 heeft de staatssecretaris het tegen de besluiten van 14 juli 2022 en 16 december 2022 door betrokkene gemaakte bezwaar van 6 februari 2023 niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 20 september 2023 heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 2 april 2023 door betrokkene ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. K.J. Kerdel, advocaat in Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkene heeft de Poolse nationaliteit. De minister heeft haar bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2022 en het besluit van 16 december 2022 niet-ontvankelijk verklaard, omdat betrokkene in beide procedures het bezwaarschrift niet binnen de in artikel 69 van Pro de Vw 2000 voorgeschreven termijn van vier weken heeft ingediend en deze overschrijdingen van de bezwaartermijn volgens de minister niet verschoonbaar zijn in de zin van artikel 6:11 van Pro de Awb.
2.       De rechtbank heeft overwogen dat betrokkene weliswaar inderdaad te laat bezwaar heeft gemaakt tegen beide besluiten, maar dat deze overschrijdingen van de bezwaartermijn wel degelijk verschoonbaar zijn. Zij heeft hierbij relevant geacht dat betrokkene aanvankelijk geen professionele rechtsbijstandsverlener had, geen ervaring met juridische procedures heeft en aanzienlijke gezondheidsklachten heeft die haar beperken bij haar functioneren en bij het behartigen van haar belangen. Daarnaast heeft betrokkene veel stress en onzekerheid ervaren, doordat de gemeente Den Haag op 13 oktober 2022 haar bijstandsuitkering heeft beëindigd en hierbij een bedrag van € 2.623,55 heeft teruggevorderd. Bovendien hebben beide besluiten verstrekkende gevolgen voor betrokkene, waardoor zij volgens de rechtbank een groot belang heeft bij de beoordeling van haar bezwaar.
Het hoger beroep van de minister en het besluit van 14 juli 2022
3.       De minister klaagt in haar enige grief over het oordeel van de rechtbank dat de overschrijding van de bezwaartermijn bij het besluit van 14 juli 2022 verschoonbaar is. Zij betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1229, onder 3.2, dat zij slechts in zeer bijzondere gevallen een uitzondering kan maken op het dwingende karakter van de bezwaartermijn en dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de door betrokkene aangevoerde omstandigheden niet toereikend zijn om een dergelijk geval aan te nemen.
3.1.    Op 30 januari 2024 heeft de grote kamer van het CBb vier uitspraken gedaan over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding (ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33, ECLI:NL:CBB:2024:34). Het CBb heeft daarin uiteengezet dat bestuursorganen en bestuursrechters in bepaalde gevallen bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer rekening moeten houden met bijzondere omstandigheden die de indiener van het bezwaar- of beroepschrift betreffen. Als deze bijzondere omstandigheden zich voordoen, moet worden nagegaan of die maken dat de termijnoverschrijding de indiener niet kan worden toegerekend.
3.2.    Dergelijke bijzondere omstandigheden doen zich bij het bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2022 niet voor, zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang bezien.
Zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3007, onder 4.1, dat het feit dat betrokkene geen ervaring met juridische procedures heeft en dat zij aanvankelijk niet werd bijgestaan door een rechtsbijstandsverlener bij het maken van bezwaar, geen bijzondere omstandigheid is.
Daarnaast heeft betrokkene niet toegelicht op welke manier haar gezondheidsklachten haar beperken bij haar functioneren en bij het behartigen van haar belangen, zoals de minister terecht aanvoert. Ook dit is dus geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Dat geldt ook voor de door de rechtbank betrokken omstandigheid dat betrokkene stress en onzekerheid heeft ervaren naar aanleiding van de brief van de gemeente Den Haag van 13 oktober 2022. Hieruit volgt namelijk niet zonder meer dat betrokkene daardoor niet in staat was om zelf tijdig bezwaar te maken of dat het voor haar niet mogelijk was om iemand anders hiervoor in te schakelen. Bovendien betoogt de minister terecht dat deze brief dateert van na het verstrijken van de bezwaartermijn, waardoor deze omstandigheid dan ook niet relevant is voor het antwoord op de vraag of zich een verschoonbare termijnoverschrijding voordoet.
Ook voert de minister terecht aan dat de gevolgen van het besluit voor betrokkene en het belang dat zij heeft bij de beoordeling van haar bezwaar, geen rol spelen bij beantwoording van de vraag of zich een verschoonbare termijnoverschrijding voordoet. Uit vaste rechtspraak, waaronder bovenvermelde uitspraak van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, onder 2.2, volgt immers dat de belangen die met het materiële geschil gemoeid zijn, niet relevant zijn bij de beoordeling van een verschoonbare termijnoverschrijding.
De rechtbank heeft dan ook ten onrechte de overschrijding van de termijn voor het maken van bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2022 verschoonbaar geacht.
3.3.    De grief slaagt.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene en het besluit van 16 december 2022
4.       De derde grief van haar incidenteel hogerberoepschrift richt betrokkene onder meer tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 16 december 2022. Volgens betrokkene heeft de rechtbank niet onderkend dat zij al op 10 januari 2023 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 16 december 2022, wat daarmee binnen de vierwekentermijn uit artikel 69 van Pro de Vw 2000 valt. Zij wijst er ter toelichting op dat zij het bezwaarschrift op 10 januari 2023 met hulp van een medewerkster van een administratiekantoor heeft opgesteld en vervolgens op dezelfde dag ter post heeft bezorgd. Daarover heeft zij ook een verklaring van deze medewerkster overgelegd.
4.1.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1339, onder 4.1, volgt dat de enkele stelling dat een bezwaarschrift ter post is bezorgd, in een geval waarin, zoals in deze zaak, het bestuursorgaan het geschrift stelt niet te hebben ontvangen, onvoldoende is om aan te nemen dat het bezwaarschrift is verzonden. Het is in dat geval aan betrokkene om aannemelijk te maken dat zij het geschrift ter post heeft bezorgd, bijvoorbeeld aan de hand van verklaringen van getuigen.
4.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft betrokkene met de door haar overgelegde getuigenverklaring aannemelijk gemaakt dat zij al op 10 januari 2023, en dus tijdig, bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 16 december 2022. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de medewerkster van het administratiekantoor in de verklaring laat weten dat zij op 10 januari 2023 in naam van betrokkene het bezwaarschrift heeft geschreven, dat met betrokkene heeft besproken en heeft gezien dat betrokkene het bezwaarschrift op diezelfde dag in de brievenbus aan de Fruitweg in Den Haag heeft gedaan. De omstandigheden van het geval geven geen reden om aan te nemen dat zij een direct belang heeft bij de uitkomst van de procedure en dat de Afdeling daarom niet van haar verklaring zou mogen uitgaan.
4.3.    De grief slaagt.
Overige grieven
5.       Wat de minister en betrokkene verder aanvoeren, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het in zoverre aangevoerde geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie hoger beroepen
6.       Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is ook gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij het beroep, gericht tegen het besluit van 2 april 2023, waarin de minister het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 juli 2022 niet-ontvankelijk heeft verklaard, gegrond heeft verklaard en verklaart dat beroep ongegrond. Omdat de rechtbank terecht, zij het op onjuiste gronden, het beroep, gericht tegen het besluit van 2 april 2023, waarin de minister het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 16 december 2022 niet-ontvankelijk heeft verklaard, gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd en de minister heeft opgedragen om een nieuw besluit op het door betrokkene gemaakte bezwaar te nemen, blijft de uitspraak voor het overige in stand. Dit betekent dat de minister alsnog een besluit moet nemen op het bezwaar tegen dat besluit. De minister moet de proceskosten voor het incidenteel hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie gegrond;
II.       verklaart het incidenteel hoger beroep van betrokkene gegrond;
III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 september 2023 in zaken nrs. NL23.13104 en NL23.13107, voor zover zij het beroep, gericht tegen het besluit van 2 april 2023 waarin de minister het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 juli 2022 niet-ontvankelijk heeft verklaard, gegrond heeft verklaard;
IV.     verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 2 april 2023, waarin de minister het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 juli 2022 niet-ontvankelijk heeft verklaard, ongegrond;
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026
574-1095