ECLI:NL:RVS:2026:598

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202403707/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit asielverblijfsvergunning

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank had dit beroep niet-ontvankelijk verklaard. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in.

Tijdens de procedure heeft de minister alsnog een besluit genomen waarbij de aanvraag van appellant werd ingewilligd. Hierdoor heeft appellant het doel van de procedure bereikt en is er geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk.

De Afdeling overweegt dat de minister de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden, ongeacht de rechtmatigheid van eventuele verlengingen. Daarom veroordeelt de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van de minister, omdat appellant niet heeft aangegeven het niet eens te zijn met het besluit.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 4 februari 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant het doel van de procedure heeft bereikt door het alsnog genomen besluit op de asielaanvraag.

Uitspraak

202403707/1/V1.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 22 mei 2024 in zaak nr. NL24.15216 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 22 mei 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D.H. Yabasun, advocaat in Amsterdam, en vervolgens door mr. E. Arslan, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 3 september 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant ingewilligd.
Appellant heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op haar aanvraag. Dat heeft de minister bij het besluit van 3 september 2025 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van deze procedure bereikt. Zij heeft geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3.       De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22 en WBV 2023/3, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in haar uitspraak van 8 november 2023, die gaan over WBV 2022/22. De Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. Het Hof heeft nog geen antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in de verwijzingsuitspraak van 10 juli 2024. Nadat de Afdeling einduitspraak doet in de verwijzingszaak die gaat over WBV 2022/22 zal zij bezien of verdere aanhouding van zaken die vallen onder WBV 2023/3 nodig is, vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2219, onder 1 en 2.
4.       In dit geval heeft de minister bij het besluit van 3 september 2025 een aanvraag van appellant om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, onder 3.3, volgt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, waarvan de loopbrief doorgaans het bewijs is. De minister kan de beslistermijn opschorten. In dit geval maakt het niet uit of de minister de beslistermijn heeft opgeschort of niet, omdat er na de ondertekening van het formulier model M35-H op 1 augustus 2023 meer dan vijftien maanden zijn verstreken voordat de minister het besluit heeft genomen op de asielaanvraag. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
5.       De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
6.       De minister is in het besluit van 3 september 2025 geheel aan de aanvraag van appellant tegemoetgekomen. Appellant heeft desgevraagd niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
7.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
977