ECLI:NL:RVS:2026:612

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202403808/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 2.3 lid 4 WhtArt. 120 GrondwetArt. 19 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van compensatiebedrag in toeslagenaffaire na hoger beroep

De zaak betreft een hoger beroep van een gedupeerde ouder in de toeslagenaffaire tegen het door de Dienst Toeslagen toegekende compensatiebedrag over het toeslagjaar 2009. De Dienst Toeslagen had het bedrag na bezwaar verhoogd van € 35.992,00 naar € 40.326,00, inclusief een aangepaste immateriële schadevergoeding en rentevergoeding.

De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard, waarbij werd overwogen dat het dossier volledig was en dat de forfaitaire immateriële schadevergoeding niet buiten toepassing kon worden gelaten. Appellante voerde aan dat het dossier niet volledig was verstrekt en dat de forfaitaire vergoeding onvoldoende was, maar deze gronden werden door de Afdeling bestuursrechtspraak verworpen op basis van eerdere jurisprudentie.

Verder stelde appellante dat de Dienst Toeslagen termijnen had overschreden en vooringenomen had gehandeld, en dat zij recht had op een aanvullende immateriële schadevergoeding wegens discriminatie. Deze bezwaren werden eveneens afgewezen, mede omdat een aanvullend verzoek reeds was toegekend.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het compensatiebedrag wordt bevestigd.

Uitspraak

202403808/1/A2.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2024 in zaak nr. 23/4387 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 5 augustus 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] een compensatiebedrag van € 35.992,00 toegekend.
Bij besluit van 16 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het compensatiebedrag gewijzigd naar € 40.326,00.
Bij uitspraak van 21 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak, advocaat in Rotterdam, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Zij heeft recht op compensatie over het toeslagjaar 2009.
2.       De Dienst Toeslagen heeft bij besluit van 5 augustus 2021 aan [appellante] een compensatiebedrag van € 35.992,00 toegekend. [appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Naar aanleiding daarvan heeft de Dienst Toeslagen bij besluit van 16 mei 2023 het compensatiebedrag herzien en het bedrag verhoogd naar € 40.326,00. De vergoeding van immateriële schade is daarbij opnieuw berekend en gewijzigd van € 7.500,00 naar € 9.500,00, en de einddatum van de rentevergoeding is aangepast van de datum van het primaire besluit naar de datum van de beslissing op bezwaar.
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat er in het persoonlijke dossier van [appellante] stukken zijn opgenomen die betrekking hebben op het geschil en die op grond van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht behoren deel uit te maken van het procesdossier.
De rechtbank heeft verder overwogen dat, voor zover [appellante] betoogt dat haar immateriële schade groter is dat de toegekende vergoeding en dat de Dienst Toeslagen had moeten afwijken van de forfaitaire bedragen, de Dienst Toeslagen geen mogelijkheid heeft om bij het berekenen van de forfaitaire immateriële schadevergoeding af te wijken van het bepaalde in artikel 2.3, vierde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om deze bepaling in dit geval buiten toepassing te laten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het toetsingsverbod uit artikel 120 van Pro de Grondwet staat daar aan in de weg. Er is geen sprake van een situatie waarin zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. De wetgever heeft uitdrukkelijk rekening gehouden met de omstandigheid dat de hoogte van de immateriële schadevergoeding die is berekend op grond van artikel 2.3, vierde lid, van de Wht niet in alle gevallen tegemoet komt aan de werkelijk geleden schade. De wetgever heeft namelijk voorzien in de mogelijkheid voor ouders om, als zij vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, een verzoek om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade te doen. Dat betekent dat de bepaling niet kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel.
Hoger beroep
4.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, omdat de Dienst Toeslagen haar niet het volledige persoonlijke dossier heeft verstrekt, het voor haar en de rechterlijke instanties onmogelijk is om de juistheid van de compensatieregeling te beoordelen of de volledige schade vast te stellen.
[appellante] betoogt verder dat de vastgestelde forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar onvoldoende is. In haar geval ligt de werkelijk geleden immateriële schade hoger dan het uitgekeerde compensatiebedrag.
4.1.    Deze gronden betreffen rechtsvragen die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraken van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2864, onder 9.4 tot en met 9.6, 11.1 en 11.2, en ECLI:NL:RVS:2025:2990, onder 8.4 tot en met 8.6, 9.1 en 9.2). Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
5.       [appellante] betoogt verder dat de Dienst Toeslagen de in artikel 19 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen gestelde termijnen, heeft overschreden en daarmee vooringenomen heeft gehandeld. De definitieve beschikking over het jaar 2009 is namelijk pas op 21 juli 2015 vastgesteld. Daar komt bij dat de termijnen niet als termijnen van orde kunnen worden gekwalificeerd.
5.1.    Deze gronden betreffen rechtsvragen die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3380, onder 5.8, en van 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3204, onder 5.1). Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
6.       Tot slot betoogt [appellante] dat zij in aanmerking komt voor een aparte of aanvullende immateriële schadevergoeding wegens discriminatie.
6.1.    Deze grond slaagt alleen al niet omdat, zoals de Dienst Toeslagen in de schriftelijke uiteenzetting heeft toegelicht, [appellante] al een verzoek daartoe heeft ingediend bij de zogenoemde Commissie werkelijke schade en de Dienst Toeslagen naar aanleiding daarvan bij besluit van 23 mei 2024 aan [appellante] een aanvullende vergoeding voor immateriële schade heeft toegekend ter hoogte van € 19.190,00.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
488-1112