ECLI:NL:RVS:2026:715
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag en rechtmatigheid grensdetentie
Betrokkene diende op 17 september 2024 een asielaanvraag in, die de minister op 27 september 2024 niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde tevens dat de grensdetentie vanaf 15 oktober 2024 onrechtmatig was, waarna zij de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel beval en schadevergoeding toekende.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte over de rechtmatigheid van de grensdetentie had geoordeeld, omdat het beroep tegen die maatregel was ingetrokken en een nieuw beroep tegen de maatregel een aparte procedure vormde. De rechtbank had daarom niet mogen beslissen over de grensdetentie in deze zaak.
Verder betwistte de minister het oordeel van de rechtbank dat een Somalische geboorteakte, overgelegd door betrokkene, een nieuw relevant element vormde dat ontvankelijkheid van de aanvraag rechtvaardigde. De Afdeling stelde dat de geboorteakte niet relevant was voor de beoordeling van de aanvraag, omdat betrokkene met een Keniaans paspoort Nederland was binnengekomen en het aan hem was om de authenticiteit van dat paspoort aannemelijk te maken.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.