AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank had dit beroep niet-ontvankelijk verklaard. Appellant stelde hoger beroep in. Inmiddels heeft de minister op 15 december 2025 alsnog een besluit genomen en de aanvraag ingewilligd.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat appellant met het besluit het doel van de procedure heeft bereikt en daarom geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep. Daarnaast zijn prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld over de verlenging van de beslistermijn, waarover de Afdeling nog einduitspraak moet doen.
De Afdeling veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant, omdat de minister de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister moet de proceskosten van € 467,00 vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister inmiddels een besluit heeft genomen, en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitspraak
202406378/1/V1.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 26 september 2024 in zaak nr. NL24.28648 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 26 september 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 15 december 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant ingewilligd.
Appellant heeft desgevraagd een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn aanvraag van 6 december 2022. Dat heeft de minister bij het besluit van 15 december 2025 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van deze procedure bereikt. Appellant heeft geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22 en WBV 2023/3, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in haar uitspraak van 8 november 2023, die gaan over WBV 2022/22. De Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. Het Hof heeft nog geen antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in de verwijzingsuitspraak van 10 juli 2024. Nadat de Afdeling einduitspraak doet in de verwijzingszaak die gaat over WBV 2022/22 zal zij bezien of verdere aanhouding van zaken die vallen onder WBV 2023/3 nodig is, vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2219, onder 1 en 2.
2.1. In dit geval heeft de minister bij het besluit van 15 december 2025 de aanvraag van appellant om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. Appellant heeft de asielaanvraag op 6 december 2022 ondertekend, maar Nederland is volgens de rechtbank krachtens de Dublinverordening pas op 1 augustus 2023 verantwoordelijk geworden voor de behandeling ervan.
2.2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, onder 3.3, volgt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, waarvan de loopbrief doorgaans het bewijs is. De minister kan de beslistermijn opschorten. In dit geval maakt het niet uit of de minister de beslistermijn heeft opgeschort of niet en of van een andere datum voor het aanvangen van de beslistermijn uit moet worden gegaan, omdat er hoe dan ook vijftien maanden zijn verstreken voordat de minister het besluit heeft genomen op de asielaanvraag. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn met WBV 2022/22 en WBV 2023/3, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
3. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 15 december 2025
4. De minister is in het besluit van 15 december 2025 geheel aan de aanvraag van appellant tegemoetgekomen. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 vanPro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.