ECLI:NL:CBB:2006:AV1456
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.C. Cusell
- J.A. Hagen
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van nationale maatregelen tot doding verdachte dieren bij mond- en klauwzeer in het licht van EU-recht
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen een besluit van de Directeur RVV waarin hun evenhoevige dieren verdacht werden verklaard van besmetting met mond- en klauwzeer (mkz) en maatregelen, waaronder doding, werden opgelegd. Het College heeft het geschil onderzocht en verweerder bevoegd geacht om de dieren als verdacht aan te merken en de maatregelen te treffen, mede gelet op klinische verschijnselen en deskundig advies.
Het College heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de bevoegdheid van lidstaten om aanvullende nationale maatregelen te treffen en de grenzen daarvan. Het Hof bevestigde dat lidstaten bevoegd zijn tot het doden van verdachte dieren binnen de kaders van de richtlijnen en het evenredigheidsbeginsel.
Appellanten voerden onder meer aan dat verweerder de Commissie niet had geïnformeerd en dat minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren. Het College oordeelde dat deze grieven niet ontvankelijk waren of onvoldoende onderbouwd, en dat het evenredigheidsbeginsel niet was geschonden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot doding van verdachte dieren wegens mond- en klauwzeer wordt ongegrond verklaard.