ECLI:NL:CBB:2007:BB9360
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering schadevergoeding op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren wegens waardevaststelling en overschrijding redelijke termijn
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin het bezwaar tegen de vastgestelde schadevergoeding op grond van artikel 86 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren werd afgewezen. De zaak betreft waardevaststelling van gedode en onschadelijk gemaakte dieren en producten na maatregelen ter bestrijding van het mond- en klauwzeervirus.
Na een eerste taxatie in 2001 volgde een hertaxatie in 2005, waarna de tegemoetkoming werd vastgesteld. Appellant betwistte de hertaxatie en stelde dat hij onvoldoende betrokken was bij de waardebepaling, dat de taxateurs het bedrijf niet volledig hadden bezocht en dat de waardering niet zorgvuldig was. Tevens stelde appellant dat de procedure onredelijk lang had geduurd, wat in strijd was met artikel 6 EVRM Pro.
Het College oordeelde dat de waardevaststelling door drie deskundigen definitief is en dat verweerder slechts in uitzonderlijke gevallen daarvan mag afwijken. De hertaxatie was zorgvuldig en de waardering inhoudelijk juist. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van 3,5 jaar was overschreden zonder rechtvaardiging, waardoor appellant recht had op vergoeding van immateriële schade van € 3.500. Het beroep werd gegrond verklaard voor dit onderdeel, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen werden in stand gelaten. Verder werden proceskosten en griffierecht aan appellant toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten, terwijl de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.