Uitspraak
1.Het procesverloop in hoger beroep
2.De grondslag van het geschil
3.De uitspraken van de rechtbank
4.De standpunten van partijen in hoger beroep
5.De beoordeling van het geschil in hoger beroep
6.De beslissing
17 oktober 2013.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
College van Beroep voor het bedrijfsleven
In deze zaak staat de rechtmatigheid van door De Nederlandsche Bank (DNB) opgelegde heffingen voor doorlopend prudentieel toezicht over de jaren 2005 en 2007 aan Noordnederlands Effektenkantoor B.V. centraal. Appellante betwist dat de heffingen correct zijn vastgesteld en voert onder meer aan dat de heffingsmaatstaf onaanvaardbaar hoge en onevenredige lasten oplegt, dat kosten onterecht worden doorberekend en dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het Eerste Protocol bij het EVRM.
Het College overweegt dat DNB bevoegd is heffingen op te leggen op grond van artikel 42 Wte Pro 1995 en artikel 1:40 Wft Pro, en dat de heffingen zijn gebaseerd op door de minister vastgestelde regelingen die voldoen aan wettelijke vereisten. De gewijzigde heffingsmaatstaf houdt rekening met toezichtinspanning en draagkracht en kan de toets aan het verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel doorstaan. Concrete bezwaren van appellante, zoals kosten voor beleidsregels en activiteiten van Holland Financial Center, zijn door DNB adequaat toegelicht en verworpen.
Het College wijst het beroep af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die de beroepen ongegrond verklaarde. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De heffingen zijn niet onrechtmatig, niet disproportioneel en niet in strijd met het EVRM. De overgangsregeling in de Aanpassingsregeling is passend en er is geen noodzaak voor een hardheidsclausule of aanvullende restitutie.
Uitkomst: Het College bevestigt de rechtmatigheid van de door DNB opgelegde heffingen voor prudentieel toezicht over 2005 en 2007 en wijst het hoger beroep af.