Het geschil betreft boetes opgelegd door de AFM aan [naam 1] B.V. en haar feitelijk leidinggever [naam 2] wegens overtreding van artikel 4:11, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft). [naam 1] verstrekte zonder vergunning kredieten die niet voldeden aan de uitzonderingsbepalingen van de Wft en gaf onvolledig hypotheekadvies, waardoor het vertrouwen in de financiële markten werd geschaad.
In hoger beroep betwistten appellanten de overtreding, verwijtbaarheid, feitelijk leidinggeven en stelden zij dat het ne bis in idem-beginsel werd geschonden. Het College oordeelde dat [naam 2] geen rechtstreeks belang had bij de boete aan [naam 1] en verklaarde zijn beroep niet-ontvankelijk. Verder bevestigde het College dat [naam 1] de Wft had overtreden en dat [naam 2] als feitelijk leidinggever kon worden aangemerkt.
De boetes van respectievelijk € 6.000,- en € 4.000,- werden niet gematigd omdat geen omstandigheden tot matiging leidden. Het College vernietigde het deel van de uitspraak waarin [naam 2] als belanghebbende werd aangemerkt en veroordeelde de AFM in de proceskosten van appellanten. Het griffierecht werd aan appellanten vergoed.