Appellant, een taxichauffeur in Amsterdam, was aangesloten bij Taxi Centrale Schiphol (TCS), een toegelaten taxi organisatie (TTO). TCS legde hem een schorsing van een week op vanwege het niet opvolgen van aanwijzingen door een ambtenaar. Appellant maakte bezwaar bij TCS en bij het college van burgemeester en wethouders (B&W) van Amsterdam. B&W verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, waarna appellant beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Het centrale geschil betrof de vraag of TCS als bestuursorgaan kan worden aangemerkt en haar besluiten als bestuursbesluiten kwalificeren. Appellant stelde dat TCS openbaar gezag uitoefent op grond van de Wet personenvervoer en de Taxiverordening Amsterdam, en dat dit bestuursrechtelijke bescherming vereist. TCS en B&W stelden dat TCS een privaatrechtelijke organisatie is zonder openbaar gezag, en dat de publiekrechtelijke bevoegdheden bij B&W berusten.
Het College oordeelde dat TCS geen bestuursorgaan is omdat zij niet met openbaar gezag is bekleed. Er is geen wettelijk voorschrift dat een publiekrechtelijke bevoegdheid tot eenzijdige rechtspositionele beslissingen aan TCS toekent. De publiekrechtelijke gezagsuitoefening blijft bij B&W. Besluiten van TCS zijn privaatrechtelijk en geen bestuursbesluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het College is daarom onbevoegd om over het beroep tegen de beslissing van TCS te oordelen. Het beroep tegen het besluit van B&W werd ongegrond verklaard.
Het arrest verduidelijkt de scheiding tussen publiekrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving in het taxivervoer en bevestigt het legaliteitsbeginsel dat openbaar gezag alleen bij wettelijk voorschrift kan worden toegekend.