ECLI:NL:CBB:2020:1030
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenvaststelling en individuele last onder Meststoffenwet
Appellant, een melkveehouder met Fries-Hollands rundveeras, betwistte de vaststelling van zijn fosfaatrechten door verweerder op grond van de Meststoffenwet. Hij voerde aan dat de melkproductie en het excretieforfait onjuist waren vastgesteld, dat de dieraantallen op de peildatum onjuist waren en dat het fosfaatrechtenstelsel zijn eigendomsrecht schond door een individuele en buitensporige last op te leggen.
Het College oordeelde dat verweerder terecht was uitgegaan van de melkproductie over kalenderjaar 2015 en het juiste excretieforfait had toegepast. Het gebruik van forfaitaire tarieven is gerechtvaardigd vanwege de werkbaarheid en niet onrechtmatig. Het beroep op een alternatieve peildatum en de knelgevallenregeling faalde wegens het ontbreken van een tijdige melding. Ook was geen sprake van onjuiste dieraantallen op de peildatum.
Ten aanzien van de individuele last stelde het College dat appellant zelf de ondernemersrisico's van zijn investeringsbeslissingen draagt. De investeringen waren gedaan ondanks de afschaffing van het melkquotum en de te verwachten maatregelen, waardoor de uitbreiding niet navolgbaar was. De belangen van milieu en volksgezondheid wogen zwaarder dan de financiële gevolgen voor appellant. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.