ECLI:NL:CBB:2019:551
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens vermeend vervoer van ongeschikte koe niet gehandhaafd
De minister van Landbouw legde de maatschap een bestuurlijke boete van €1.500,- op wegens het vervoer van een koe die niet geschikt zou zijn geweest voor het voorgenomen transport, omdat het dier niet in staat was zich pijnloos te bewegen. De toezichthouder van de NVWA constateerde kreupelheid door de ziekte van Mortellaro. De maatschap betwistte dit met een deskundigenverklaring die stelde dat de kreupelheid mogelijk door een andere aandoening werd veroorzaakt en dat de koe bij het inladen niet ongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van de maatschap gegrond en vernietigde het besluit van de minister, omdat de minister onvoldoende had weerlegd dat de koe ongeschikt was voor transport. In hoger beroep bevestigde het College deze conclusie. Het College oordeelde dat de verklaringen van de door de maatschap ingeschakelde deskundige niet waren weerlegd en dat de minister onvoldoende bewijs had geleverd dat de koe al bij het inladen ongeschikt was.
Het College benadrukte dat hoewel een toezichthoudend dierenartsverklaring zwaar weegt, gemotiveerde betwisting door een deskundige aanleiding kan geven tot twijfel. Gezien de onduidelijkheid over het stadium van de ziekte en de oorzaak van de kreupelheid, kon niet worden vastgesteld dat de maatschap de overtreding had begaan. De boete blijft daarom onterecht opgelegd en het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het College bevestigt dat onvoldoende is vastgesteld dat de maatschap een ongeschikte koe heeft vervoerd, waardoor de boete wordt vernietigd.