Appellant diende een subsidieaanvraag in voor een warmtepomp in zijn nieuwbouwwoning, maar deed dit pas op 27 juli 2017 terwijl de warmtepomp op 16 januari 2017 in gebruik werd genomen. De minister van Economische Zaken wees de aanvraag af omdat deze niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden na installatie was ingediend, zoals bepaald in artikel 4.5.12, eerste lid, onder f, van de Regeling nationale EZ-subsidies.
Appellant voerde aan dat hij niet eerder kon indienen omdat hij niet wist dat de subsidie aan een andere partij voor dezelfde warmtepomp op nihil was gesteld, en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel en een analoge toepassing van verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen. De minister handhaafde het besluit en stelde dat er geen beleidsruimte is om van de dwingende regeling af te wijken.
Het College oordeelde dat de regeling een dwingende afwijzingsgrond bevat en geen hardheidsclausule, waardoor geen ruimte bestaat voor belangenafweging of verschoonbaarheid. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen sprake is van gelijke gevallen, gezien de strikte termijn en verschillen in opleveringsdata binnen het bouwproject.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de subsidieaanvraag terecht afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.