Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2020 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] , appellant
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellant, een melkveehouder, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin het fosfaatrecht op zijn bedrijf werd vastgesteld op basis van de situatie op 2 juli 2015. Appellant voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel ongeoorloofde staatssteun inhoudt, dat de knelgevallenregeling niet correct werd toegepast en dat het stelsel een individuele en buitensporige last voor hem betekent in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
Het College overweegt dat het fosfaatrechtenstelsel door de Europese Commissie is goedgekeurd als milieumaatregel en dat het stelsel noodzakelijk is om te voldoen aan de Nitraatrichtlijn en het mestproductieplafond. De knelgevallenregeling is correct toegepast door uit te gaan van de dieraantallen op de peildatum 2 juli 2015, en appellant heeft onvoldoende onderbouwd waarom een andere periode representatief zou zijn.
Verder oordeelt het College dat het stelsel niet leidt tot een individuele en buitensporige last voor appellant. De investeringen en uitbreidingsplannen van appellant waren ondernemersbeslissingen met inherente risico’s, en het was redelijkerwijs duidelijk dat groei beperkt zou worden door productiebeperkende maatregelen. Appellant heeft onvoldoende aangetoond dat het stelsel zijn bedrijfsvoering onaanvaardbaar schaadt.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.