ECLI:NL:CBB:2021:334
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling knelgevallenregeling fosfaatrechtenstelsel en individuele last melkveehouderij
Appellante, een maatschap die een melkveehouderij exploiteert, betwist het door verweerder vastgestelde fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet. Zij voert aan dat de knelgevallenregeling onjuist is toegepast, dat sprake is van rechtsongelijkheid en dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantast. Tevens stelt zij dat zij een individuele en buitensporige last draagt vanwege investeringen en vergunningen die zij heeft verkregen.
Het College overweegt dat de knelgevallenregeling correct is toegepast en dat de vergelijking moet worden gemaakt tussen de situatie op het moment van de bijzondere omstandigheid en de peildatum, waarbij niet wordt gekeken naar niet-gerealiseerde uitbreidingsplannen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel faalt, mede omdat een rechtstreekse toetsing van wetgeving aan deze beginselen niet mogelijk is.
Verder oordeelt het College dat de investeringsbeslissingen van appellante niet navolgbaar zijn gezien het tijdstip en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak, mede in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de voorziene productiebeperkende maatregelen. De financiële gevolgen van het fosfaatrechtenstelsel vormen geen individuele en buitensporige last. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.