Appellant werd geconfronteerd met een schorsing van zijn taxichauffeurskaart vanwege het vermoeden dat hij niet langer voldeed aan de eisen voor het verkrijgen van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) na een incident op 13 december 2018. De staatssecretaris schorste de kaart op 9 januari 2019 en tilde deze op 21 februari 2019 nadat appellant een nieuwe VOG overhandigde.
Appellant maakte bezwaar tegen de schorsing en vorderde vergoeding van de kosten, waarop het College op 10 september 2019 het bezwaar gegrond verklaarde en de staatssecretaris veroordeelde tot vergoeding. De staatssecretaris deed verzet tegen deze uitspraak, dat nu door het College gegrond is verklaard.
Het College oordeelt dat de schorsing rechtmatig was en dat de staatssecretaris terecht afzag van het horen van appellant voorafgaand aan het besluit vanwege de vereiste spoed. Het vermoeden van het ontbreken van een geldige VOG, gebaseerd op een strafrechtelijk onderzoek, rechtvaardigde de schorsing in het belang van veilig taxivervoer. De latere vrijspraak van appellant door de strafrechter doet hieraan niet af omdat dit na het primaire besluit plaatsvond.
Het beroep van appellant wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van de kosten van bezwaar afgewezen. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.