De vennootschap exploiteert een hotel en ontving op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q1 2021 een subsidie van €6.679,40. De minister trok deze subsidie in omdat het omzetverlies van 7,5% lager was dan het vereiste minimum van 30%. De minister hanteerde Q2 2019 als referentieperiode, aangezien op 28 februari 2019 de benodigde vergunningen waren verleend en er geen juridische belemmeringen meer waren voor het starten van de activiteiten.
De vennootschap stelde dat Q3 2019 als referentieperiode moest gelden omdat het hotel officieel pas op 1 april 2019 openging en de omzet in Q2 2019 niet representatief was. Ook verzocht zij om een vergelijkbare periode in een ander jaar te hanteren. Het College oordeelde echter dat de startdatum van de activiteiten objectief moet worden bepaald aan de hand van de vergunningen en juridische mogelijkheden, en dat de vennootschap vanaf 28 februari 2019 haar bedrijfsactiviteiten uitoefende en omzet genereerde.
Het College benadrukte dat de TVL-regeling is ingericht om snel en efficiënt subsidie te verstrekken aan getroffen ondernemers en dat uitzonderingen alleen in zeer bijzondere gevallen worden gemaakt. Het beroep van de vennootschap op het égalitébeginsel en het evenredigheidsbeginsel faalde omdat onvoldoende is onderbouwd dat zij onevenredig wordt benadeeld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de subsidie bevestigd.