Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats 1] , ( [naam 1] )
de minister van Economische Zaken en Klimaat
Procesverloop
Overwegingen
Slotsom
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De zaak betreft een geschil over de juiste referentieperiode voor de berekening van de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) subsidie over het derde kwartaal van 2021. [naam 1] B.V., een restaurant dat in juni 2019 is heropend na een statutenwijziging en na sluiting van een eerdere vestiging, verzocht de minister om Q4 2019 als referentieperiode te hanteren in plaats van de door de minister gehanteerde Q3 2020.
De minister wees dit verzoek af en baseerde de referentieperiode op de inschrijfdatum in het handelsregister, conform de gewijzigde TVL-regeling, waarbij alleen Q3 2019 of Q3 2020 als referentieperiodes mogelijk zijn voor ondernemingen die vóór 30 juni 2019 zijn ingeschreven. Het College bevestigde dat de startdatum van de bedrijfsactiviteiten en juridische belemmeringen niet relevant zijn voor de keuze van de referentieperiode.
Het College stelde vast dat de inschrijving in het handelsregister van de vennootschap dateert van 13 januari 2017, en dat de latere statutenwijziging en naamswijziging in juni 2019 niet leiden tot een nieuwe inschrijving na 30 juni 2019. Hierdoor is de keuzevrijheid voor een afwijkende referentieperiode niet van toepassing. Ook is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, aangezien een eerdere fout in een andere subsidieperiode niet herhaald hoeft te worden en de situatie van een buurman onvoldoende vergelijkbaar is.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van [naam 1] B.V. tegen het besluit over de TVL-subsidie Q3 2021 is ongegrond verklaard en de minister heeft de juiste referentieperiode gehanteerd.