Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2024 op
I) het hoger beroep van:
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister)
(gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman)
[naam 1] B.V., te [plaats] ( [naam 1] )
de minister
II) het verzoek om schadevergoeding van [naam 1] in de zaak tussen:
[naam 1]
de minister
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat).
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
27 januari 2017 en 4 juli 2018 geconstateerd dat bij [naam 1] telkens één karkas was verontreinigd door baansmeer en bij de controle op 20 januari 2017 twee karkassen. Op zitting heeft de minister verklaard dat de constateringen van verontreiniging door baansmeer zijn gedaan tijdens steekproeven ter controle van zichtbare sporen van vervuiling door inhoud van het spijsverteringskanaal, die plaatsvonden op basis van de ten tijde van die controles geldende versie van het Handhavingsprotocol. Op basis van deze constateringen heeft de minister de in geding zijnde boetes opgelegd. Daarbij heeft de minister gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om een boete op te leggen met toepassing vanhet Specifiek interventiebeleid vlees, meer in het bijzonder regel A2 van bijlage 1 daarvan, in samenhang bezien met pararaaf 5.2.4. De minister is er bij de toepassing van de beleidsregel in deze concrete gevallen van uitgegaan dat verontreiniging van de karkassen door baansmeer is aan te merken als een klasse B overtreding. Volgens de beleidsregel vindt, zoals hiervoor is vermeld in 4.2.3, in dat geval bij een eerste overtreding een corrigerende interventie plaats (een schriftelijke waarschuwing is volgens bijlage B bij het Algemeen interventiebeleid zo een corrigerende interventie) en volgt bij een herhaalde overtreding een sanctionerende interventie (een boete).
Beslissing
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan [naam 1] van een immateriële schadevergoeding van € 2.468,75;
- veroordeelt de minister tot betaling aan [naam 1] van een immateriële schadevergoeding van € 1.031,25;
- bepaalt dat van de minister een griffierecht van € 559,00 wordt geheven;
- veroordeelt de minister in de door [naam 1] in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.968,75;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de door [naam 1] in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 218,75.
mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2024.