ECLI:NL:CBB:2024:886
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- S.C. Stuldreher
- T. Pavićević
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen mestboetes wegens fictieve mestafvoer en matiging boetes
De maatschap exploiteert een melkveebedrijf en werd in 2015 en 2016 beboet wegens overtredingen van de Meststoffenwet, waaronder overschrijding van gebruiksnormen en mestverwerkingsplicht, gebaseerd op fictieve mestafvoer via een intermediair bedrijf. De rechtbank Zeeland-West-Brabant matigde de boetes deels en verklaarde het beroep deels gegrond.
In hoger beroep betwistte de maatschap de juistheid van het buiten beschouwing laten van vijf mesttransporten in 2015, die volgens de minister niet hebben plaatsgevonden. Het College oordeelde dat de minister terecht uitging van het rapport van bevindingen van de NVWA, dat op administratief en technisch bewijs gebaseerd was, en dat de maatschap onvoldoende tegenbewijs leverde.
Voor de boetes over 2015 handhaafde het College de hoogte van de boetes met een beperkte verdere matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor 2016 stelde het College vast dat de rechtbank een fout had gemaakt in de boetematiging en matigde de boete verder. Daarnaast veroordeelde het College de minister en de Staat in proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan de maatschap wordt vergoed.
Uitkomst: Hoger beroep 2015 ongegrond; boetes 2016 verder gematigd en proceskosten toegewezen.