Appellant [naam 1] werd door de minister beboet voor het vervoeren van een geit die niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het dier niet op eigen kracht pijnloos kon lopen door een gebroken rechterachterpoot. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de boete van €1.500.
In hoger beroep betwist appellant onder meer dat hij de breuk had kunnen constateren bij het laden en stelt dat hij door de late toezending van het rapport is geschaad omdat hij geen contra-expertise kon laten verrichten. Het College oordeelt dat de toezichthoudend dierenarts deskundig is en dat de geit inderdaad niet geschikt was voor transport. De late toezending van het rapport heeft het recht op een eerlijk proces niet geschonden omdat appellant voldoende gelegenheid had om zich te verweren.
Het College wijst het beroep af voor het overige, maar matigt de boete met 20% vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van ruim 1 jaar en 9 maanden, waardoor de boete wordt vastgesteld op €1.200. Tevens worden de proceskosten deels aan de minister en de Staat opgelegd en het griffierecht aan appellant vergoed.