De onderneming, een melkveehouderij, kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens overschrijding van de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen en stikstof in 2017, wat leidde tot vervallen derogatie. De minister baseerde de boete op inspectierapporten en berekeningen van dierenaantallen, oppervlakte landbouwgrond en grondsoorten. De onderneming stelde in bezwaar en beroep onder meer dat de berekeningen onjuist waren en dat de boete gematigd moest worden vanwege beperkt economisch voordeel.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk, maar verklaarde het beroep tegen het wijzigingsbesluit gegrond en matigde de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep stelde het College vast dat de minister terecht uitging van de tijdens inspectie overgelegde gegevens over dierenaantallen en dat de onderneming onvoldoende bewijs had geleverd voor haar afwijkende stellingen. Wel werd de boete aangepast op basis van een gewijzigde grondsoortenkaart, waarover de onderneming geen bezwaar maakte.
Het College verwierp verder de stellingen van de onderneming over de oppervlakte landbouwgrond en de hoeveelheid afgevoerde kunstmest wegens gebrek aan bewijs. Ook werd het beroep op matiging wegens beperkt economisch voordeel afgewezen, omdat de wetgever bewust forfaitaire boetes hanteert die hoger kunnen zijn dan het voordeel. Uiteindelijk vernietigde het College het deel van de uitspraak over de boetehoogte, stelde de boete vast op €22.573,45 na matiging wegens termijnoverschrijding en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Vergoeding van deskundigenkosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.