ECLI:NL:CBB:2025:97
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling subsidievaststelling TVL bij ondernemingen in moeilijkheden en toepassing staatssteunregels
De ondernemingen [naam 1] B.V. en [naam 2] B.V. maakten bezwaar tegen besluiten van de minister van Economische Zaken die hun subsidies op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor 2021 op nihil hadden vastgesteld. De minister had deze subsidies aanvankelijk verleend, maar later teruggevorderd omdat de ondernemingen volgens hun geconsolideerde jaarrekening als ondernemingen in moeilijkheden werden aangemerkt, wat niet verenigbaar is met de staatssteunregels.
De ondernemingen betoogden dat de minister niet alleen op de jaarrekening mocht afgaan, maar ook de daadwerkelijke continuïteit van de onderneming moest beoordelen en dat alternatieve boekhoudkundige keuzes mogelijk waren geweest. Daarnaast voerden zij aan dat de minister niet bevoegd was om de subsidies in de vaststellingsfase te verlagen en dat het besluit in strijd was met diverse Europese en nationale bestuursrechtelijke beginselen.
Het College oordeelde dat de minister terecht de jaarrekening als uitgangspunt heeft genomen en dat het begrip 'onderneming in moeilijkheden' duidelijk is gedefinieerd in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening. De minister was op grond van artikel 7 van Pro de Kaderwet bevoegd om subsidies lager vast te stellen of te wijzigen indien sprake was van ongeoorloofde staatssteun. De algemene rechtsbeginselen konden het staatssteunkader niet doorkruisen, en compensatie voor geleden schade was niet verplicht.
De beroepen van de ondernemingen werden ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het College verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat de minister de subsidies terecht op nihil heeft vastgesteld wegens ondernemingen in moeilijkheden.