Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen
maatschap [naam 1] , te [woonplaats] ,
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Procesverloop
Overwegingen
Voor de mestkelder geldt hetzelfde als de mestsilo. De opslag mag behouden worden als de gemeente ermee instemt. De mestkelder mag dan worden behouden en gebruikt (bij goedkeuring), dit heeft geen invloed op de vergoeding in de regeling.
Na toestemming van de gemeente, is het van belang dat hier binnen 12 maanden na het tekenen van de overeenkomst ontheffing voor wordt aangevraagd bij RVO. RVO zal dan een besluit nemen op het verzoek. Wij adviseren u met het bevoegde gezag afspraken goed vast te laten leggen zodat op een later moment geen misverstanden kunnen ontstaan of aan de sloopeis is voldaan.
[…]”
Lbv-plus. Zijn de dieren en de mest afgevoerd van uw veehouderijlocatie? Dan zorgt deze locatie niet langer voor stikstofneerslag op het Natura 2000-gebied bij u in de buurt. Dat is het doel van deze regelingen.
Terugkomend op onderstaande e-mail:
er is helaas gebleken dat ik in onderstaande mail niet het juiste antwoord heb gegeven, excuses daarvoor. Het juiste antwoord moet zijn:
Een veehouder kan ontheffing aanvragen voor sloop van de mestkelder, mits de betreffende gemeente instemt met de nieuwe bestemming daarvan. Indien ontheffing wordt verleend, dan komt het dierenverblijf waar de mestkelder onderdeel van uitmaakt niet in aanmerking voor een vergoeding van het waardeverlies.[…]”
[…]
[…]
Anders dan de maatschap meent, heeft de minister met de beslissing van 3 september 2024 waarbij het eerste voorschot op de subsidie werd toegekend, niet met de inhoud van de aan de overeenkomst gehechte stukken ingestemd. Ook in dat besluit is namelijk expliciet vermeld dat een vaststelling van de subsidie kan worden aangevraagd “nadat u de dierenverblijven, mest- en voeropslagen heeft gesloopt en verwijderd”. Overigens heeft de maatschap het definitieve besluit om haar veehouderij te beëindigen en de koeien af te voeren al op 26 augustus 2024 genomen, zodat niet valt in te zien op welke wijze verwachtingen ontleend aan het besluit van 3 september 2024 een rol hebben gespeeld bij dat definitieve besluit. Bovendien, zoals hiervoor is overwogen, kon de maatschap voor zover zij meende aan de e-mail van 18 augustus 2023 al enig vertrouwen te kunnen ontlenen, dat in ieder geval met de ontvangst van het subsidiebesluit niet meer. Dit brengt het College tot de conclusie dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.