ECLI:NL:CBB:2026:20

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
24/569
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ENERGIEVIS-subsidie aan [naam 1] B.V. wegens niet kwalificeren als kmo

In deze uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 27 januari 2026, zaaknummer 24/569, werd het beroep van [naam 1] B.V. tegen de afwijzing van hun subsidieaanvraag voor de ENERGIEVIS-subsidie ongegrond verklaard. De minister van Economische Zaken had op 8 december 2023 de subsidieaanvraag afgewezen, omdat [naam 1] niet voldeed aan de criteria voor micro-, kleine of middelgrote ondernemingen (kmo) zoals gedefinieerd in de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. De minister baseerde zijn beslissing op de gegevens van de groepsondernemingen, aangezien [naam 1] een 100%-dochteronderneming is van [naam 6] B.V., die op haar beurt weer volledig in handen is van [naam 7] B.V. en [naam 5] B.V. De minister concludeerde dat de omzet, het balanstotaal en het aantal werknemers van deze verbonden ondernemingen meegeteld moesten worden, waardoor [naam 1] niet als kmo kon worden gekwalificeerd.

Tijdens de zitting op 3 december 2025 voerden de gemachtigden van [naam 1] aan dat de minister ten onrechte de gegevens van de moederondernemingen had betrokken en dat de steun niet zou leiden tot verstoring van de mededinging op de interne markt. De minister betoogde echter dat de gegevens van [naam 5] B.V. aantonen dat [naam 1] deel uitmaakt van een grote onderneming, die niet voldoet aan de kmo-criteria. Het College oordeelde dat de minister terecht had geoordeeld dat [naam 1] geen kmo is en dat de afwijzing van de subsidieaanvraag in overeenstemming was met de Europese staatssteunregels. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/569

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [woonplaats] ( [naam 1] )

(gemachtigden: mr. M. de Boer en mr. A. van Lohuizen)
en

de minister van Economische Zaken

(gemachtigden: mr. P.J. Kooijman en drs. [naam 2] )

Procesverloop

Met het besluit van 8 december 2023 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de subsidieaanvraag van [naam 1] op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling), titel 2.21: Verbetering energie-efficiëntie van vissersvaartuigen, afgewezen.
Met het besluit van 22 mei 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard.
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 3 december 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 3] en [naam 4] , namens [naam 1] , en de gemachtigden van partijen.

Overwegingen

Inleiding
1.1
Om de visserijsector te ondersteunen bij de aanschaf en installatie van onderdelen aan vissersvaartuigen die de energie-efficiëntie verhogen of de uitstoot van verontreinigende stoffen of broeikasgassen verminderen, is de subsidiemodule voor de verbetering van de energie-efficiëntie van vissersvaartuigen aan de regeling toegevoegd. De specifieke doelgroep voor deze zogenoemde ENERGIEVIS-subsidie zijn de eigenaren van vissersvaartuigen die zich bevinden in de vlootsegmenten MFL1 en MFL2. De subsidiemodule is opgesteld op basis van artikel 27 van de Groepsvrijstellingsverordening visserij (verordening (EU) 2022/2473, gvvv).
1.2
[naam 1] is eigenaar van een vissersvaartuig dat zich bevindt in het vlootsegment MFL2 en als zodanig ook staat ingeschreven in het visserijregister. [naam 1] maakt deel uit van [naam 5] B.V. ( [naam 5] ).
1.3
Op 22 augustus 2023 heeft [naam 1] subsidie aangevraagd voor energie-efficiënte propellers en generatoren, als bedoeld in artikel 2.21.2 van de Regeling.
1.4
Met het afwijzingsbesluit heeft de minister de aanvraag afgewezen, omdat [naam 1] geen micro-, kleine of middelgrote onderneming (kmo) is, als bedoeld in artikel 2.21.2 van de Regeling. Om te beoordelen of [naam 1] een kmo is, heeft de minister gekeken naar de omzet, het balanstotaal, het aantal werknemers van [naam 1] en naar de ondernemingen die met [naam 1] zijn verbonden. Uit het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 10 juli 2023 blijkt dat zij een 100%-dochteronderneming van [naam 6] B.V. ( [naam 6] ) is. [naam 6] is een 100%-dochteronderneming van [naam 7] B.V. ( [naam 7] ), en [naam 7] is weer een 100%-dochteronderneming van [naam 5] . Dit betekent dus dat de omzet, het balanstotaal en het aantal werknemers van [naam 5] en alle daaronder vallende ondernemingen moet worden meegeteld. Voor [naam 1] leidt dit ertoe dat zij geen kmo is en op grond van artikel 2.21.1 van de Regeling niet in aanmerking komt voor de ENERGIEVIS-subsidie.
1.5
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard.
Wettelijk kader
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt van partijen
Standpunt van [naam 1]
3.1
[naam 1] voert in beroep aan dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen.
Zij kwalificeert wel als een kmo, als bedoeld in artikel 2.21.1 van de Regeling en de gvvv. De minister heeft ten onrechte de gegevens van iedere moederonderneming van [naam 1] betrokken in zijn beoordeling. Bij de Europese staatssteunregels staan de (mogelijke) mededingingsverstorende effecten op de interne markt centraal. In haar geval zou steun in de vorm van de ENERGIEVIS-subsidie niet kunnen leiden tot verstoring van de mededinging op de interne markt, omdat grote onderdelen van het concern waartoe [naam 1] behoort zich uitsluitend concentreren op gebieden buiten de interne markt en een groot deel van de omzet van de meegerekende ondernemingen afkomstig is van buiten de Europese Unie (EU). De activiteiten hebben dus geen invloed op de interne markt. Een van de belangrijkste doelstellingen van de ENERGIEVIS-subsidie is dat steun wordt toegekend aan ondernemingen die steun nodig hebben. [naam 1] heeft die steun nodig, omdat zij een visserijbedrijf is waarvoor de regeling is bedoeld en de moederondernemingen op geen enkele manier concreet bijdragen aan de draagkracht van [naam 1] of het voorkomen van marktfalen. De moederondernemingen van [naam 1] mogen ook daarom niet worden meegerekend bij de beoordeling of zij kan worden aangemerkt als kmo.
Standpunt van de minister
3.2
De minister stelt zich op het standpunt dat hij de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat [naam 1] geen kmo is als bedoeld in de gvvv en om die reden niet voldoet aan de voorwaarden voor ENERGIEVIS-subsidie. Uit de op het moment van de besluitvorming beschikbare gepubliceerde geconsolideerde jaarrekening van [naam 5] blijkt dat [naam 1] deel uitmaakt van een grote onderneming. [naam 5] heeft in de jaren 2020, 2021, 2022 en 2023 (per eind maart, blijkens de jaarverslagen van 31 maart 2021 en 31 maart 2023) meer dan 250 werknemers en een jaaromzet van meer dan € 50 miljoen, met een jaarlijks balanstotaal van hoger dan € 43 miljoen. Als een onderneming de meerderheid van de stemrechten in een andere onderneming bezit, dan wordt die onderneming beschouwd als verbonden onderneming (zie punt 3.3, onder a, van bijlage 1 van de gvvv). Doorslaggevend zijn telkens de aandeelhoudersrelaties, waarbij een deelneming van meer dan 50% van de ene onderneming in een andere onderneming op zichzelf al voldoende is om deze ondernemingen als verbonden te beschouwen. Er zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het standpunt dat enkel gekeken zou moeten worden naar het deel van de onderneming dat zich binnen het grondgebied van de EU bevindt. Overigens merkt de minister op dat, anders dan [naam 1] betoogt, uit de jaarrekeningen blijkt dat het grootste deel van de omzet van [naam 5] wel degelijk door de verbonden ondernemingen wordt behaald die in de EU zijn gevestigd.
Oordeel van het College
Kmo
4.1
ENERGIEVIS-subsidie wordt verleend aan de eigenaar van een vissersvaartuig (artikel 2.21.2 van de Regeling). In artikel 2.21.1 van de Regeling wordt de eigenaar van een vissersvaartuig gedefinieerd als een kmo, als bedoeld in de gvvv. Bijlage 1 van de gvvv zet uiteen welke ondernemingen als kmo kwalificeren en daaruit volgt ook dat de gegevens van daarmee verbonden ondernemingen worden meegenomen (punt 6.2). Aan de onderneming verbonden ondernemingen zijn, onder andere, ondernemingen die de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders in de onderneming hebben (punt 3.3, onder a van bijlage 1). Omdat 100% van de aandelen van [naam 1] wordt gehouden door [naam 6] , 100% van de aandelen in [naam 6] wordt gehouden door [naam 7] , en 100% van de aandelen in [naam 7] wordt gehouden door [naam 5] , is de minister bij de beoordeling van de aanvraag terecht ervan uitgegaan dat [naam 5] een via [naam 6] en [naam 7] met [naam 5] verbonden onderneming is, als bedoeld in de gvvv. Voor de vaststelling van de gegevens van [naam 1] diende de minister dan ook de gegevens van [naam 5] (aantal werkzame personen en de jaaromzet en/of het jaarlijkse balanstotaal) mee te nemen. Uit de gegevens van [naam 5] van het laatst afgesloten boekjaar op het moment van de aanvraag (2022) blijkt dat het aantal werkzame personen waarmee gerekend moet worden de 250 overschrijdt en de jaaromzet meer dan € 50 miljoen bedraagt, met ook een jaarlijkse balanstotaal van meer dan € 43 miljoen (punt 2.1 van bijlage 1 van de gvvv).
4.2
De definitie van kmo in bijlage 1 van de gvvv is gelijk aan de definitie van kmo in bijlage 1 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening (verordening (EU) 651/2014, agvv). Over de definitie van verbonden ondernemingen in bijlage 1 van de agvv heeft het College al eerder geoordeeld dat zij geen uitzonderingen bevat voor (delen van) ondernemingen die buiten een bepaalde EU-lidstaat of buiten de EU zijn gevestigd, in een andere branche opereren of geen of een beperkte financiële relatie hebben met de andere verbonden ondernemingen, en dat de aandeelhoudersrelaties doorslaggevend zijn (zie de uitspraak van 14 november 2023, ECLI:NL:CBB:2023:626, onder 3.3). Hetzelfde geldt voor de definitie van verbonden ondernemingen in bijlage 1 van de gvvv. Op zitting is bovendien door [naam 1] bevestigd dat de jaaromzet van [naam 5] binnen de EU alleen – zonder de omzet van buiten de EU – volgens het laatst afgesloten boekjaar op het moment van de aanvraag (2022) ook meer dan € 50 miljoen bedroeg.
4.3
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [naam 1] geen kmo is, als bedoeld in artikel 2.21.1 van de Regeling, en om die reden niet kan worden aangemerkt als eigenaar van een vissersvaartuig waaraan ENERGIEVIS-subsidie wordt verleend. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen.
Evenredigheidsbeginsel
5 Voor zover [naam 1] betoogt dat de afwijzing van de aanvraag voor haar leidt tot onevenwichtige gevolgen, moet worden geoordeeld dat dit betoog niet slaagt. Aanvaarding van dat betoog in de zin dat haar toch subsidie moet worden verleend, hoewel zij geen kmo is, leidt ertoe dat subsidieverlening in strijd komt met de Europese staatssteunregels. Het is vaste rechtspraak van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 23 april 2024, (ECLI:NL:CBB:2024:289 en ECLI:NL:CBB:2024:290) en de uitspraak van 19 augustus 2025, (ECLI:NL:CBB:2025:425)) dat een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zoals het evenredigheidsbeginsel het Europees staatssteunrecht niet opzij kan zetten.
Slotsom
6 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. M.J. Jacobs en mr. P. Glazener, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. L. ten Hove

Bijlage

Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Stcrt. 2023, nr. 18779)
Artikel 2.21.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
eigenaar van een vissersvaartuig: micro-, kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in de groepsvrijstellingsverordening visserij die het eigendom heeft van een vissersvaartuig en onder wiens naam het in het register, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998, is ingeschreven;
(…)
Artikel 2.21.2. Subsidieaanvraag
De minister verleent op aanvraag subsidie aan de eigenaar van een vissersvaartuig voor het verbeteren van de energie-efficiëntie van een vissersvaartuig met de maatregelen, bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening visserij.
Verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (verordening (EU) 2022/2473)
HOOFDSTUK I
Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 1
Toepassingsgebied
1. Deze verordening is van toepassing op steun voor:
a. micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten;
(…)
Artikel 27
Steun om de energie-efficiëntie te verbeteren en de gevolgen van klimaatverandering te matigen
1. Steun om de energie-efficiëntie te verbeteren en de gevolgen van klimaatverandering te matigen, met uitzondering van steun voor het vervangen of moderniseren van motoren, die voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk I van deze verordening, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU en is vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU.
2. Steun in het kader van artikel mag alleen betrekking hebben op de volgende maatregelen:
a. investeringen in uitrusting of aan boord om de uitstoot van verontreinigende stoffen of broeikasgassen terug te dringen en de energie-efficiëntie van de vissersvaartuigen te verhogen. Investeringen in vistuig komen ook in aanmerking voor steun mits deze de selectiviteit van dat vistuig niet ondermijnen;
(…)
BIJLAGE I
Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s)
1. Onderneming
Als onderneming wordt beschouwd iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent. Met name worden als zodanig beschouwd entiteiten die individueel of in familieverband ambachtelijke of andere activiteiten uitoefenen, personenvennootschappen en verenigingen die regelmatig een economische activiteit uitoefenen.
2. Aantal werkzame personen en financiële drempels ter bepaling van de categorieën ondernemingen
2.1.
Tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (“kmo’s”) behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt.
2.2.
Binnen de categorie kmo’s is een “kleine onderneming” een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet en/of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt.
2.3.
Binnen de categorie kmo’s is een “micro-onderneming” een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt.
3. Soorten ondernemingen die voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen in aanmerking worden genomen
3.1.
Een “zelfstandige onderneming” is elke onderneming die niet als partneronderneming in de zin van punt 3.2 of als verbonden onderneming in de zin van punt 3.3 wordt aangemerkt.
3.2. “
Partnerondernemingen” zijn alle ondernemingen die niet als verbonden ondernemingen in de zin van punt 3.3 worden aangemerkt en waartussen de volgende band bestaat: een onderneming (van een hoger niveau) heeft, alleen of samen met één of meer in de zin van punt 3.3 verbonden ondernemingen, 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten van een andere onderneming (van een lager niveau).
Zelfs indien de drempel van 25 % wordt bereikt of overschreden, kan een onderneming als zelfstandige onderneming of als onderneming zonder partnerondernemingen worden aangemerkt, indien het om de volgende categorieën investeerders gaat en mits deze individueel noch gezamenlijk met de betrokken onderneming verbonden zijn in de zin van lid 3:
a. openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, natuurlijke personen of groepen natuurlijke personen die geregeld risicokapitaal beleggen en eigen vermogen in niet-beursgenoteerde ondernemingen investeren (“business angels”), mits de totale investering van deze business angels in eenzelfde onderneming 1 250 000 EUR niet overschrijdt;
b. universiteiten of onderzoekscentra zonder winstoogmerk;
c. institutionele beleggers, met inbegrip van regionale ontwikkelingsfondsen;
d. autonome lokale autoriteiten die een jaarlijkse begroting hebben van minder dan 10 miljoen EUR en minder dan 5 000 inwoners tellen.
3.3. “
Verbonden ondernemingen” zijn ondernemingen die met elkaar een van de volgende banden onderhouden:
a. een onderneming heeft de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van een andere onderneming;
b. een onderneming heeft het recht de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een andere onderneming te benoemen of te ontslaan;
c. een onderneming heeft het recht een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van laatstgenoemde onderneming;
d. een onderneming heeft als aandeelhouder of vennoot van een andere onderneming, op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die onderneming gesloten overeenkomst, als enige zeggenschap over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van laatstgenoemde onderneming.
Er wordt aangenomen dat geen overheersende invloed wordt uitgeoefend indien de in punt 3.2, tweede alinea, genoemde investeerders zich niet direct of indirect met het beheer van de betrokken onderneming bemoeien, onverminderd de rechten die zij als aandeelhouder of vennoot bezitten.
Ondernemingen worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij via één of meerdere andere ondernemingen of via een investeerder als bedoeld in punt 3.2, één van de in de eerste alinea bedoelde banden onderhouden.
Ondernemingen die via een natuurlijke persoon of een in gemeenschappelijk overleg handelende groep van natuurlijke personen een van deze banden onderhouden, worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij hun activiteiten of een deel van hun activiteiten op dezelfde markt of op verwante markten uitoefenen.
Als “verwante markt” wordt beschouwd de producten- of dienstenmarkt die zich direct boven of onder het niveau van de relevante markt bevindt.
3.4.
Behoudens de in punt 3.2, tweede alinea, bedoelde gevallen kan een onderneming niet als kmo worden aangemerkt indien één of meer overheidsinstanties, gezamenlijk of afzonderlijk, direct of indirect zeggenschap hebben over 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten.
3.5.
Ondernemingen kunnen een verklaring opstellen over hun hoedanigheid van zelfstandige onderneming, partneronderneming of verbonden onderneming en de gegevens met betrekking tot de in punt 2 vermelde drempels. Ook wanneer het wegens de spreiding van het kapitaal onmogelijk is precies te bepalen wie het in handen heeft, kan deze verklaring worden opgesteld mits de onderneming te goeder trouw verklaart dat zij redelijkerwijs kan aannemen niet voor 25 % of meer in handen te zijn van één onderneming of van verscheidene verbonden ondernemingen gezamenlijk of via natuurlijke personen afzonderlijk of in een groep. Dergelijke verklaringen doen geen afbreuk aan de controles of verificaties waarin de nationale regelgeving of Unieregelgeving voorziet.
(…)
6. Vaststelling van de gegevens van de onderneming
6.1.
In het geval van een zelfstandige onderneming worden de gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, uitsluitend op basis van de rekeningen van die onderneming bepaald.
6.2.
De gegevens, waaronder het aantal werkzame personen, van een onderneming die partnerondernemingen of verbonden ondernemingen heeft, worden bepaald op basis van de rekeningen en andere gegevens van de onderneming of, indien van toepassing, van de geconsolideerde rekeningen van de onderneming of van de geconsolideerde rekeningen waarin de onderneming door consolidatie is opgenomen.
De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van de betrokken onderneming, die zich direct boven of onder het niveau van die onderneming bevinden. De samentelling geschiedt in evenredigheid met het aandeel in het kapitaal of de stemrechten (het hoogste van de twee percentages). Bij wederzijdse participatie geldt het hoogste van deze percentages.
De in de eerste en tweede alinea bedoelde gegevens worden samengeteld met alle, nog niet door consolidatie in de rekeningen opgenomen gegevens (100 %) van de eventuele, direct of indirect met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen.
6.3.
Voor de toepassing van punt 6.2:
a. resulteren de gegevens van de partnerondernemingen van de betrokken onderneming uit de, indien van toepassing, geconsolideerde rekeningen en andere gegevens. Deze worden samengeteld met alle gegevens (100 %) van de met deze partnerondernemingen verbonden ondernemingen, tenzij hun gegevens reeds door consolidatie daarin zijn opgenomen;
b. resulteren de gegevens van de met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen uit de, indien van toepassing, geconsolideerde rekeningen en andere gegevens. Deze worden evenredig samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van deze verbonden ondernemingen, die zich onmiddellijk boven of onder het niveau van laatstgenoemde ondernemingen bevinden, mits deze gegevens nog niet zijn opgenomen in de geconsolideerde rekeningen in een verhouding die ten minste gelijk is aan het in punt 6.2, tweede alinea, vastgestelde percentage.
6.4.
Indien het aantal werkzame personen van een bepaalde onderneming niet uit de geconsolideerde rekeningen blijkt, wordt het berekend door de gegevens van haar partnerondernemingen evenredig samen te tellen en daaraan de gegevens toe te voegen van de ondernemingen waarmee zij is verbonden.