ECLI:NL:CBB:2026:59
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking derogatievergunning en boete wegens overschrijding meststoffen gebruiksnorm
De vennootschap exploiteert een melkveehouderij en beschikte in 2018 over een derogatievergunning met een gebruiksnorm van 250 kg stikstof per hectare. De minister constateerde in 2020 op basis van gegevens dat de vennootschap de gebruiksnorm had overschreden en legde een boete op en trok de derogatievergunning in. De vennootschap betwistte de overschrijding en stelde dat zij 585 ton vaste mest had afgevoerd naar een gepacht perceel, wat de minister onvoldoende aannemelijk achtte.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vennootschap tegen de boete gegrond en matigde de boete. De minister ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Het College oordeelde dat de vennootschap onvoldoende bewijs had geleverd voor de afvoer van 585 ton mest en dat de minister terecht uitging van 257 ton. Hierdoor was de overschrijding van de gebruiksnorm vastgesteld en was de intrekking van de derogatievergunning en de boete gerechtvaardigd.
Verder oordeelde het College dat de intrekking en uitsluiting van derogatie niet onevenredig waren, ondanks de financiële gevolgen voor de vennootschap. De belangenafweging door de minister was aanvankelijk niet in het besluit opgenomen, maar werd in het verweerschrift alsnog gemaakt, waardoor het gebrek werd hersteld. De boete werd niet verder gematigd omdat de vennootschap onvoldoende onderbouwing gaf voor haar financiële draagkracht. De redelijke termijn voor de procedure was overschreden, maar de minister had reeds gematigd, zodat geen verdere matiging werd toegepast.
Het beroep van de vennootschap werd ongegrond verklaard, de minister werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd aan de vennootschap vergoed.
Uitkomst: Het beroep van de vennootschap wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de derogatievergunning en boete worden bevestigd.