In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over een mestboete opgelegd aan een vennootschap die een melkveehouderij en kalvermesterij exploiteert. De vennootschap had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland, die de boete had gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur had de vennootschap een boete opgelegd van € 18.283,35 wegens overtredingen van de Meststoffenwet in 2018. De rechtbank had de boete verlaagd naar € 17.242,50, maar het College heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de boete vastgesteld op € 15.927,65. Het College oordeelde dat de minister de mestproductie correct had berekend op basis van forfaitaire normen en dat de vennootschap niet voldoende had aangetoond dat de gasvormige verliezen groter waren dan de minister had aangenomen. De vennootschap had ook verzocht om matiging van de boete vanwege overschrijding van de redelijke termijn, wat het College gedeeltelijk heeft toegewezen. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheden van de vennootschap onder de Meststoffenwet en de noodzaak om bewijs te leveren voor afwijkende berekeningen.