De vennootschap exploiteert een melkveehouderij en kalvermesterij en kreeg een boete opgelegd wegens overschrijding van de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen in 2018. De minister stelde de boete vast op €18.283,35, met een matiging van 10% wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn. De rechtbank Gelderland matigde de boete verder tot €17.242,50 vanwege overschrijding van de redelijke termijn en stelde de boete opnieuw vast.
In hoger beroep betoogde de vennootschap dat de mestproductie van graasdieren onjuist was berekend omdat geen extra correctie voor gasvormige stikstofverliezen was toegepast, wat volgens haar strijdig was met het gelijkheidsbeginsel. Ook stelde zij dat de begin- en eindvoorraad mest onjuist was gewaardeerd. Het College oordeelde dat de forfaitaire normen voor graasdieren, inclusief stikstofcorrectie, juist waren toegepast en dat de minister terecht geen extra correctie toepaste. De voorraadwaardering was volgens het College correct gebaseerd op gegevens over het gehele kalenderjaar.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn van vier jaar voor de gehele procedure was overschreden met meer dan achttien maanden, wat aanleiding gaf tot een aanvullende matiging van de boete. Het College vernietigde het eerdere oordeel over de boetehoogte en stelde de boete definitief vast op €15.927,65. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht wegens de overschrijding van de redelijke termijn.