ECLI:NL:CRVB:1991:ZB2131
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering tijdens rechtmatige voorlopige hechtenis ondanks latere onjuistheid
Eiser werd op 14 juli 1988 werkloos en op 7 november 1988 in verzekering gesteld en in voorlopige hechtenis genomen. Deze voorlopige hechtenis werd op 1 december 1988 opgeheven vanwege onvoldoende aanwijzingen voor schuld, en eiser werd niet vervolgd. Eiser vorderde een WW-uitkering over de periode van voorlopige hechtenis, maar het bestuur stelde vast dat hij op grond van art. 19 lid 1 sub h WW Pro over die periode geen recht had op uitkering.
De Raad van Beroep bevestigde deze beslissing. Hoewel de voorlopige hechtenis achteraf onjuist bleek, was deze rechtmatig genomen conform het Wetboek van Strafvordering. De wet vereist dat werknemers die rechtens hun vrijheid zijn ontnomen geen WW-uitkering ontvangen over die periode. Schuld speelt hierbij geen rol.
De Raad wees ook het beroep af dat het bestuur hiermee fundamentele rechtsbeginselen zou schenden. Het recht op uitkering eindigde op het moment van vrijheidsontneming en herleefde bij opheffing van de hechtenis. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; geen recht op WW-uitkering tijdens voorlopige hechtenis ondanks latere onjuistheid.