ECLI:NL:CRVB:1999:AA4300
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. Haverkamp
- F.P. Zwart
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking AAW-uitkering ondanks beroep op eigendomsrecht en proportionaliteit
Appellante had sinds 1976 een AAW-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, die in 1991 werd ingetrokken omdat zij in het jaar voorafgaand aan haar arbeidsongeschiktheid geen inkomen uit arbeid had verworven. De rechtbank verwierp haar beroep en stelde de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1 maart 1972, waarmee zij niet voldeed aan de inkomenseis.
In hoger beroep stelde appellante dat zij sinds 1960 gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en dat de inkomenseis daarom niet van toepassing was. De Raad oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat zij sinds 1960 in relevante mate arbeidsongeschikt was en dat het loonverschil tussen haar vroegere werkzaamheden en mogelijke aangepaste werkzaamheden niet leidde tot een arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%.
Appellante voerde tevens aan dat de intrekking in strijd was met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, dat het eigendomsrecht beschermt, en dat er geen redelijke verhouding bestond tussen het doel en de gekozen maatregel. De Raad erkende het eigendomsrecht op de uitkering, maar oordeelde dat de wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft en dat de Reparatiewet AAW een evenwichtige afweging maakt tussen algemeen belang en individuele rechten.
De Raad concludeerde dat de intrekking niet onrechtmatig is, mede gelet op de overgangsperiode en het bestaan van de Algemene bijstandswet als vangnet. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de AAW-uitkering bevestigd.