ECLI:NL:CRVB:2002:AF2287
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvorderingsbesluiten WW wegens ontbreken invorderingsbesluiten
Appellant was het niet meer oneens met de terugvordering van teveel betaalde WW-uitkeringen over twee perioden, maar stelde dat zijn financiële situatie zodanig slecht was dat hij niet tot betaling in staat was en verzocht om kwijtschelding.
De rechtbank had de beroepen ongegrond verklaard omdat appellant geen dringende redenen had aangetoond om van terugvordering af te zien. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat er geen dringende redenen waren, maar stelt dat de rechtbank onvoldoende aandacht heeft besteed aan het verzoek om rekening te houden met betalingsonmacht bij de invordering.
De Raad benadrukt dat op grond van artikel 36, derde lid, WW, in het besluit op bezwaar uitsluitsel moet worden gegeven over de wijze van invordering en dat het ontbreken van dergelijke invorderingsbesluiten de bestreden besluiten niet in stand kan laten.
Daarom vernietigt de Raad de bestreden besluiten en beveelt het UWV nieuwe besluiten op bezwaar te nemen waarin ook de invordering wordt geregeld, waarbij appellant desgevraagd alle benodigde financiële gegevens moet aanleveren. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De bestreden terugvorderingsbesluiten worden vernietigd wegens ontbreken van invorderingsbesluiten; het UWV moet nieuwe besluiten nemen met inachtneming van de financiële situatie van appellant.