ECLI:NL:CRVB:1999:AA8514
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- J.C.F. Talman
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep over terugvordering en invordering WW-uitkering
Betrokkene en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) stelden hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Middelburg over de terugvordering van onverschuldigd betaalde WW-uitkering over de periode 27 oktober tot en met 2 november 1997.
De Raad concludeerde dat betrokkene onterecht WW-uitkering had ontvangen en dat het Lisv terecht deze uitkering terugvorderde. Echter, het terugvorderingsbesluit voldeed niet aan de wettelijke vereisten omdat het niet duidelijk maakte op welke wijze de invordering zou plaatsvinden, terwijl volgens artikel 36, derde lid, van de WW dit in hetzelfde besluit moet worden geregeld om dubbele procedures te voorkomen.
De Raad erkende het belang van een efficiënte en duidelijke regeling en oordeelde dat het Lisv in de beslissing op bezwaar alsnog uitsluitsel moet geven over de wijze van invordering, tenzij een betalingsregeling is overeengekomen of betrokkene ermee instemt dat hierover nog niet wordt beslist. Het Lisv werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
De uitspraak benadrukt dat terugvorderingsbesluiten in het kader van de WW ook invorderingsbesluiten moeten bevatten, tenzij bijzondere omstandigheden dit verhinderen, om rechtszekerheid en efficiëntie te waarborgen.
Uitkomst: Het terugvorderingsbesluit wordt bevestigd, maar het Lisv moet een nader besluit nemen over de wijze van invordering conform de WW.