ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8411
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beperking maximale duur WW-uitkering na wetswijziging per 1 oktober 2006
Appellanten, voormalige werknemers van een werkgever, maakten bezwaar tegen de vastgestelde duur van hun WW-uitkering, die was beperkt tot 38 maanden na een wetswijziging per 1 oktober 2006. Zij stelden dat zij recht hadden op een uitkeringsduur van vijf jaar en voerden schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van oudere werknemers aan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellanten geen aanspraak konden maken op de langere uitkeringsduur vanwege het overgangsrecht in artikel 130o van de WW. Ook vond de rechtbank geen schending van het EVRM en erkende een objectieve rechtvaardiging voor het onderscheid in opzegtermijnen tussen oudere en jongere werknemers.
In hoger beroep handhaafden appellanten hun standpunten, maar de Raad overwoog dat zij ten tijde van de wetswijziging nog geen recht op een WW-uitkering hadden en dat de beperking van de uitkeringsduur een legitiem algemeen belang dient. De Raad vond geen disproportionele last voor appellanten en bevestigde dat er geen sprake was van ongerechtvaardigde discriminatie. Ook het niet informeren door het Uwv over de wetswijziging deed hieraan niet af.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beperking van de maximale duur van de WW-uitkering tot 38 maanden wordt bevestigd.