ECLI:NL:CRVB:2003:AJ6875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig besluit en beoordeling bijstandsuitkering
Appellante ontving vanaf 17 september 1992 een bijstandsuitkering. Na melding dat haar partner bij haar zou intrekken, beëindigde de gemeente haar uitkering per 8 januari 1996 op grond van gezamenlijke huishouding. Appellante maakte bezwaar, dat aanvankelijk ongegrond werd verklaard. De Centrale Raad van Beroep vernietigde in 2000 deze uitspraak en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen.
De gemeente nodigde appellante uit voor gesprekken om haar recht op bijstand nader vast te stellen, maar zij verscheen niet. Vervolgens verklaarde de gemeente het bezwaar gegrond voor wat betreft de grondslag, maar handhaafde de beëindiging vanwege het niet verstrekken van voldoende inlichtingen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit ongegrond.
In hoger beroep bevestigt de Raad dat het belang van appellante in het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is komen te vervallen, omdat inmiddels een nieuw besluit is genomen. De Raad oordeelt dat appellante terecht werd verplicht inlichtingen te verstrekken over haar woon- en leefsituatie, ook al ontving zij op dat moment geen uitkering meer. Door het niet verstrekken van deze informatie kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld, waardoor de beëindiging van de uitkering terecht is gehandhaafd.
De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit wordt bevestigd en de beëindiging van de bijstandsuitkering gehandhaafd wegens het niet verstrekken van noodzakelijke inlichtingen.