Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2003:AN8934

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4967 NABW-VV, 03/4968 NABW-VV, 03/4969 NABW-VV, 03/4970 NABW-VV, 03/4971 NABW-VV en 03/4972 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken om voorlopige voorziening inzake bijzondere bijstand

Verzoeker heeft meerdere verzoeken ingediend voor voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet, gericht tegen besluiten van het College van burgemeester en wethouders van Winterswijk over bijzondere bijstand.

De voorzieningenrechter overweegt dat de mogelijkheid tot voorlopige voorziening niet bedoeld is om de hoofdzaak te bespoedigen zonder spoedeisend belang. Verzoeker ontvangt maandelijks algemene bijstand en er is geen reden om aan te nemen dat hij de uitspraken in de bodemprocedure niet kan afwachten. Ook de aangevoerde schulden en kosten leiden niet tot een spoedeisend belang, mede gelet op de beslagvrije voet uit de Algemene bijstandswet en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Daarom zijn de verzoeken kennelijk ongegrond en worden ze afgewezen zonder zitting. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De zaak betreft beroepen tegen diverse besluiten over bijzondere bijstand voor kosten zoals reiskosten, incassokosten, reparatiekosten, verblijfskosten en telefoonkosten.

Uitkomst: Verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

03/4967 NABW-VV, 03/4968 NABW-VV, 03/4969 NABW-VV, 03/4970 NABW-VV, 03/4971 NABW-VV en 03/4972 NABW-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet in de gedingen tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, gedaagde.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft op de in de beroepschriften vervatte gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de (voorzieningenrechter van de) rechtbank Zutphen op 18 juli 2003,
31 juli 2003 en 28 augustus 2003 tussen partijen gewezen uitspraken, reg. nrs. 03/806 en 03/606 NABW, 03/807 en 03/603 NABW, 03/343 en 03/344 NABW, 03/105 en 03/129 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brief van 5 oktober 2003 heeft verzoeker tevens verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verzoeker heeft de gronden van het verzoek ingediend en nadere stukken ingezonden.
II. MOTIVERING
Voor een uitvoerige weergave van de hier relevante feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de in rubriek I genoemde aangevallen uitspraken. De in deze uitspraken behandelde hoofdzaken hebben betrekking op door verzoeker ingestelde beroepen tegen door gedaagde genomen besluiten op bezwaar inzake de volgende aanvragen om bijzondere bijstand:
a) van 6 augustus 2002 betreffende gestelde reiskosten in verband met bezoeken aan advocaten;
b) van 12 september 2002 betreffende verschuldigde reiskosten en toeslag wegens het zonder geldig vervoersbewijs reizen per trein op 29 juli 2002;
c) van 26 september 2002 betreffende verschuldigde incassokosten van inmiddels betaalde nota's van KPN MOBILE;
d) van 17 oktober 2002 betreffende een betaalde nota voor reparatiekosten van het telefoon-faxapparaat van verzoeker;
e) van 3 december 2002 betreffende reis- en verblijfkosten in verband met het bijwonen van zittingen bij de rechtbank Zutphen in de periode van 1994 tot en met 2002;
f) van 6 januari 2003 betreffende in 2000 en 2002 betaalde kopieerkosten, verzendkosten, kosten van inktcartridge, facturen van KPN inzake abonnements- en gesprekskosten telefoon.
Naar aanleiding van de thans gedane verzoeken om voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en Pro artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van Pro de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De mogelijkheid hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen is niet bedoeld om door middel van de zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.
In de onderhavige zaken is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker maandelijks algemene bijstand van gedaagde ontvangt. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat verzoeker de beslissingen van de Raad in de bodemprocedures niet zou kunnen afwachten voorzover de door gedaagde buiten behandeling gelaten of afgewezen aanvragen om bijzondere bijstand betrekking hebben op kosten die reeds door verzoeker zijn gemaakt en betaald.
Hetgeen in de gedingstukken is gesteld met betrekking tot de onder b) en c) genoemde schulden leidt evenmin tot het oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang, dit mede gelet op de in artikel 77 van Pro de Algemene bijstandswet opgenomen beperking omtrent beslag op bijstand waardoor verzoeker in elk geval kan blijven beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De verzoeken om voorlopige voorziening zijn daarom kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder zitting.
Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Wijst de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van
mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2003.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.C.M. Hamer.