ECLI:NL:CRVB:2004:AO3607
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op bijstand voor staatlozen op grond van het Staatlozenverdrag
Appellanten, geboren in Italië en de Verenigde Staten, hebben in 2003 bij de gemeente Almere een aanvraag om algemene bijstand ingediend met de stelling dat zij staatloos zijn. Hun verzoeken om een verblijfsvergunning werden door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie afgewezen, waarna ook de bezwaren ongegrond werden verklaard. De gemeente weigerde bijstand omdat appellanten geen geldige verblijfstitel hadden en niet met Nederlanders konden worden gelijkgesteld.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten gegrond, oordeelde dat zij als staatlozen moesten worden aangemerkt en dat artikel 23 van Pro het Staatlozenverdrag rechtstreekse werking heeft, maar stelde dat appellanten niet rechtmatig verbleven. Appellanten gingen in hoger beroep tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten.
De Raad stelt vast dat appellanten geen rechten op bijstand kunnen ontlenen omdat zij geen vreemdeling zijn in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en niet met Nederlanders zijn gelijkgesteld. De Raad toetst of appellanten staatloos zijn en concludeert dat appellanten dit niet aannemelijk hebben gemaakt. De bewijslast rust op appellanten, die geen objectief toetsbare documenten overleggen waaruit staatloosheid blijkt. De verklaring van het Italiaanse consulaat en het ontbreken van inschrijving als staatloos in de gemeentelijke basisadministratie ondersteunen dit oordeel.
De Raad ziet geen aanleiding om anders te oordelen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waardoor appellanten geen recht op bijstand hebben op grond van het Staatlozenverdrag. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellanten zijn geen staatlozen en hebben geen recht op bijstand op grond van het Staatlozenverdrag.