ECLI:NL:CRVB:2004:AO9296
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijstandsuitkering wegens onjuiste vermogensvaststelling
Appellante vroeg op 10 juni 2000 een bijstandsuitkering aan die door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam op 24 augustus 2000 werd afgewezen wegens overschrijding van de vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 54 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw).
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat er meer schulden waren dan door de gemeente aangenomen. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de gemeente ten onrechte een schuld van €7.500,- niet had meegeteld bij de vermogensvaststelling, terwijl deze schuld voldoende aannemelijk was en een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting inhield. Hierdoor lag het vermogen van appellante onder de vermogensgrens en was de afwijzing onterecht.
De Raad vernietigt daarom het besluit van 9 februari 2001 en de uitspraak van de rechtbank, en beveelt de gemeente een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad de gemeente in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de bijstandsuitkering wordt vernietigd en de gemeente moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.